Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2633

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200706242/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan de gemeente Den Haag, Dienst Stedelijke Ontwikkeling, Bureau Woonwagenzaken (hierna: vergunninghoudster) sloopvergunning verleend voor het geheel slopen van een woonwagen, bijgebouwen, aanbouwen en de standplaatsinrichting aan de Jan Hanlostraat 9 te Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706242/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/9663 van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 augustus 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan de gemeente Den Haag, Dienst Stedelijke Ontwikkeling, Bureau Woonwagenzaken (hierna: vergunninghoudster) sloopvergunning verleend voor het geheel slopen van een woonwagen, bijgebouwen, aanbouwen en de standplaatsinrichting aan de Jan Hanlostraat 9 te Den Haag.

Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 augustus 2007, verzonden op 3 augustus 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. H. Koning, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Veldman en F. Filippo, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.

Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Den Haag, zoals die luidde ten tijde van belang, (hierna: de bouwverordening) is het verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 8.1.6, van de bouwverordening moet een sloopvergunning worden geweigerd indien:

a. voor het slopen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke Monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;

b. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en deze ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

c. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken en hun gebruikers in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en deze ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verzoek van vergunninghoudster om een sloopvergunning is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

2.2.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat vergunninghoudster een belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij een besluit tot verlening van sloopvergunning. Nu vergunninghoudster belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb, is haar verzoek, naar de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld, aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

2.3. De aanvraag om sloopvergunning is geen besluit. Daartegen staat ingevolge artikel 8:1, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, dan ook geen bezwaar en beroep open. Gelet hierop behoeft het betoog van [appellant] dat vergunninghoudster een oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot het indienen van een sloopaanvraag, geen bespreking.

2.4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat ingevolge artikel 8.1.6. van de bouwverordening een sloopvergunning slechts kan en moet worden geweigerd indien zich één of meer van de in die bepaling opgenomen weigeringsgronden voordoet. Nu daarvan niet is gebleken, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college gehouden was de sloopvergunning te verlenen. De bezwaren die [appellant] heeft tegen gebruikmaking van de sloopvergunning door vergunninghoudster kan hij, gelet op het limitatief-imperatief stelsel van artikel 8.1.6. van de bouwverordening, niet in deze procedure naar voren brengen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

494.