Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2632

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200706226/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Montferland (hierna: het college) geweigerd aan de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid "Coöperatie Agruniek U.A." (hierna: Agruniek) bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het bouwen van een opslagloods en het veranderen van een Welkoopwinkel op het perceel Parallelweg 17 te Didam (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/2181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706226/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid "Coöperatie Agruniek U.A.", gevestigd te Didam, gemeente Montferland,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/327 van de rechtbank Zutphen van 19 juli 2007 in het geding tussen:

de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid "Coöperatie Agruniek U.A."

en

het college van burgemeester en wethouders van Montferland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Montferland (hierna: het college) geweigerd aan de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid "Coöperatie Agruniek U.A." (hierna: Agruniek) bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het bouwen van een opslagloods en het veranderen van een Welkoopwinkel op het perceel Parallelweg 17 te Didam (hierna: het perceel).

Bij besluit van 16 januari 2007 heeft het college het door Agruniek daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 2 mei 2006 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 19 juli 2007, verzonden op 23 juli 2007, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door Agruniek daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Agruniek bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2008, waar Agruniek, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. R. van Eck, advocaat te Enschede, en het college, vertegenwoordigd door P.Th.M. Overbeek, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet, voor zover thans van belang, in het verbouwen van de Welkoopwinkel, in die zin dat aan de achterzijde een deel van de winkel wordt gesloopt, terwijl aan de straatzijde een nieuw gedeelte wordt gebouwd.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Fluun, integrale herziening" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Bedrijfsdoeleinden". Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de grond en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming. Onder strijdig gebruik wordt mede verstaan:

a. ten aanzien van de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" op de gronden op de plankaart aangeduid met de zones I, II of III:

1. een gebruik voor detailhandel, anders dan de verkoop van ter plaatse vervaardigde goederen, materialen en producten alsmede ondergeschikte nevenactiviteiten van nijverheid en industrie en met uitzondering van detailhandel ten behoeve van een verkooppunt motorbrandstoffen;

(…).

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften mag een bouwwerk dat, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan bestaat, dan wel nadien wordt gebouwd of kan worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, en dat afwijkt van dit plan (bestemming en/of voorschriften), behoudens onteigening, gedeeltelijk worden vernieuwd en/of veranderd. Ingevolge artikel 23, tweede lid, van de planvoorschriften mag bij een gedeeltelijke vernieuwing en/of verandering als bedoeld in lid 1 geen nieuwe afwijking van het plan ontstaan noch een bestaande afwijking naar aard en omvang worden vergroot.

2.3. Agruniek betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan is. Zij voert daartoe in de eerste plaats aan dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan het gebruik van de winkel voor detailhandel ten onrechte niet positief is bestemd, maar onder het overgangsrecht is gebracht. Agruniek voert verder aan dat het bouwplan niet in strijd is met de bebouwingsvoorschriften van het bestemmingsplan. Het gebruik van het perceel voor detailhandel valt volgens Agruniek onder het overgangsrecht. Zij voert daartoe aan dat geen sprake is van gewijzigd gebuik dat in meerdere mate gaat afwijken van het plan, nu tegenover de gedeeltelijke nieuwbouw de afbraak staat van een minstens zo groot deel van het pand, zodat per saldo het bebouwd oppervlak afneemt. De omvang van het strijdige gebruik neemt derhalve af, aldus Agruniek.

2.3.1. Het betoog van Agruniek dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan het gebruik van de winkel voor detailhandel ten onrechte niet positief is bestemd, maar onder het overgangsrecht is gebracht, kan in dit hoger beroep niet aan de orde komen, maar had naar voren dienen te worden gebracht in de desbetreffende bestemmingsplanprocedure.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraken van 28 december 2005, in zaak nr. 200503163/1 en 19 februari 2003, in zaak nr. 200204380/1, zijn voor de beantwoording van de vraag of voor een bouwplan al dan niet vergunning kan worden verleend wat betreft het mogelijk van toepassing zijn van het overgangsrecht uitsluitend de bepalingen die betrekking hebben op het bouwovergangsrecht van belang. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat nu het bouwplan voorziet in het bebouwen van thans onbebouwde gronden een nieuwe afwijking van het plan ontstaat die niet door artikel 23, tweede lid, van de planvoorschriften wordt toegestaan. Dat een minstens zo groot deel van de winkel wordt afgebroken, maakt dit niet anders. Het betoog van Agruniek slaagt niet.

2.4. Agruniek betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te verlenen. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het verkoopassortiment van de Welkoopwinkel niet zodanig is dat sprake is van een moeilijke inpasbaarheid als bedoeld in het "Streekplan Gelderland 2005" (hierna: het streekplan).

2.4.1. In het streekplan is ten aanzien van detailhandel, voor zover thans van belang, bepaald dat vernieuwing en uitbreiding van detailhandel moet plaatsvinden binnen of onmiddellijk grenzend aan bestaande winkelgebieden. Op perifere locaties, zoals het onderhavige perceel, is op grond van het streekplan slechts detailhandel toegestaan die vanwege de specifieke ruimtelijke eisen moeilijk inpasbaar is in bestaande winkelgebieden. Het betreft detailhandel in explosie- en brandgevaarlijke stoffen en winkelformules die vanwege de aard en omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstraling (zoals auto's, boten, caravans, tuincentra, bouwmarkten grove materialen, keukens en sanitair, evenals woninginrichting waaronder meubels), aldus het streekplan.

2.4.2. Het college heeft geweigerd voor het bouwplan vrijstelling te verlenen. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de Welkoopwinkel, gelet op de klantenkring en het gevoerde assortiment, niet moeilijk inpasbaar is in bestaande winkelgebieden. Het college heeft dit standpunt gebaseerd op de folders die door de Welkoopwinkel worden verspreid. Zoals echter blijkt uit de door Agruniek in beroep overgelegde assortimentslijst worden in de Welkoopwinkel, naast de in de folder weergegeven kleine artikelen, ook verkocht: vijvers, kassen, tuinmeubelen, speeltoestellen, zwembaden, tuinmachines, tuinhout, gaas en sierbestrating, bouwmaterialen, hout- en plaatmateriaal, ijzerwaren en verf- en vulmiddelen. De Afdeling neemt tevens in aanmerking dat het college bij besluit van 7 november 1996 bouwvergunning heeft verleend voor de bouw van de Welkoopwinkel op het perceel, met welk besluit het college, zoals het ter zitting van de Afdeling heeft bevestigd, tevens geacht moet worden vrijstelling te hebben verleend van de gebruiksvoorschriften van het destijds geldende bestemmingsplan voor het exploiteren van een Welkoopwinkel met het bijbehorende assortiment op het perceel. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college bij het nemen van het besluit op bezwaar de mogelijkheden om vrijstelling te verlenen onvoldoende heeft onderzocht. Het besluit op bezwaar is in zoverre niet zorgvuldig voorbereid en evenmin deugdelijk gemotiveerd. Dat besluit is derhalve genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog van Agruniek slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 16 januari 2007 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 19 juli 2007 in zaak nr. 07/327;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van 16 januari 2007;

V. veroordeelt het college tot vergoeding van bij Agruniek in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.342,61 (zegge: dertienhonderdtweeënveertig euro en eenenzestig cent), waarvan € 1.288,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Montferland aan Agruniek onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Montferland aan Agruniek het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 709,00 (zegge: zevenhonderdnegen euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

494.