Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2631

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200706211/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen (hierna: het college) [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast de overtreding van artikel 7, derde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Rekreatieterrein Rosengaerde" (hierna: het bestemmingsplan) te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706211/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2683 van de rechtbank Zwolle van 31 juli 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen (hierna: het college) [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast de overtreding van artikel 7, derde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Rekreatieterrein Rosengaerde" (hierna: het bestemmingsplan) te beëindigen.

Bij besluit van 9 november 2006 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 24 oktober 2005 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 31 juli 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Zwolle (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2007 en 26 september 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2008, waar [appellante], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.P.M. Schaap, advocaat te Enschede, en W.N. de Vries, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) de bestemming "Rekreatieve doeleinden, kategorie RW". [appellante] gebruikt de op het perceel gelegen recreatiewoning voor permanente bewoning, hetgeen in strijd is met het in artikel 7, derde lid, van de planvoorschriften neergelegde gebruiksverbod. Het college was dan ook bevoegd terzake handhavend op te treden.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat concreet zicht op legalisering bestaat. De omstandigheid dat de raad van de gemeente Dalfsen op 24 september 2007 een motie heeft aangenomen, ertoe strekkende dat het bestemmingsplan zal worden geactualiseerd, kan in deze procedure geen rol spelen, nu deze omstandigheid zich na het besluit op bezwaar heeft voorgedaan.

2.4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college het recht om handhavend op te treden heeft verwerkt. Zij voert daartoe aan dat het college de permanente bewoning van de recreatiewoning na verzending van de brief van 5 november 1999, waarin het college [appellante] te kennen heeft gegeven dat permanente bewoning van de recreatiewoning niet is toegestaan en gestaakt dient te worden, lange tijd ongemoeid heeft gelaten. Pas op 15 juli 2004 heeft het college [appellante] een vooraankondiging gedaan van zijn voornemen om, bij ongewijzigd voortduren van de illegale situatie, tot het opleggen van een dwangsom over te gaan, aldus [appellante].

2.4.1. Dit betoog faalt. De omstandigheid dat het college gedurende een periode van enkele jaren niet handhavend heeft opgetreden tegen de permanente bewoning van recreatiewoningen in de gemeente Dalfsen leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een situatie waarin niet meer handhavend kan worden opgetreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 13 juni 2007, in zaak nr. 200606995/1, is het enkele tijdsverloop daarvoor onvoldoende. Nu het college nooit heeft aangegeven dat niet tegen de permanente bewoning zou worden opgetreden en het [appellante] er bij brief van 5 november 1999 zelfs uitdrukkelijk op heeft gewezen dat het permanente bewoning niet toestaat, heeft de rechtbank in het betoog van [appellante] terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet meer handhavend mocht optreden.

2.5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college met het besluit op bezwaar van 9 november 2006 het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Zij voert daartoe aan dat haar op 23 december 1999 door ambtenaren van de gemeente is toegezegd dat tegen permanente bewoning van de recreatiewoning niet handhavend zou worden opgetreden.

2.5.1. Dit betoog faalt. [appellante] heeft met de door haar overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat er namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan [appellante] het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat het college niet handhavend zou optreden tegen de permanente bewoning van de recreatiewoning.

2.6. [appellante] betoogt dat de rechtbank haar beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft verworpen. Zij voert daartoe aan dat niet valt in te zien waarom tegen de permanente bewoning van de recreatiewoningen aan de Rosengaardeweg 21 en 22 te Dalfsen niet handhavend wordt opgetreden.

2.6.1. Dit betoog faalt. Het college heeft beleid vastgesteld omtrent permanente bewoning van recreatiewoningen in de gemeente Dalfsen. Dit beleid is bij brief van 30 juni 1994 aan alle eigenaren en gebruikers van recreatiewoningen in de gemeente Dalfsen bekend gemaakt en is tevens gepubliceerd in diverse kranten en huis-aan-huisbladen. Op grond van dat beleid kon iedereen die op 1 juli 1994 een recreatiewoning bewoonde en stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, onder voorwaarden in aanmerking komen voor een persoonlijke gedoogstatus. Het beleid is op 30 januari 1995 gewijzigd in die zin dat niet enkel in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven bewoners onder het gedoogbeleid kunnen vallen, maar tevens bewoners die aannemelijk kunnen maken dat zij op 1 juli 1994 permanent in een recreatiewoning woonden. De bewoners van de recreatiewoningen aan de Rosengaardeweg 21 en 22 te Dalfsen hebben naar de mening van het college aannemelijk gemaakt dat zij op 1 juli 1994 de recreatiewoning permanent bewoonden, zodat het college op basis van het beleid aan hen een persoonlijke gedoogstatus heeft gegeven. Aangezien de recreatiewoning van [appellante] pas in 1998 is gebouwd, komt [appellante] niet in aanmerking voor een persoonlijke gedoogstatus. De positie van de bewoners van de recreatiewoningen aan de Rosengaardeweg 21 en 22 is derhalve gelijk noch rechtens vergelijkbaar met die van [appellante]. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

2.7. In de door [appellante] gestelde omstandigheden heeft de rechtbank tenslotte terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan behoort te worden afgezien.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

494.