Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2628

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200706066/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] een lichte bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een hekwerk op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706066/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/3434 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 juli 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] een lichte bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een hekwerk op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 mei 2006 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juli 2007, verzonden op 18 juli 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief, ingekomen op 20 september 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Heesbeen, in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] exploiteert op het perceel een dierenpension. Rondom het perceel heeft hij een hekwerk geplaatst. Bij besluit van 19 november 2004 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom aangeschreven het hekwerk op het achterste gedeelte van het perceel af te breken. Naar aanleiding van dit besluit heeft hij een aanvraag om bouwvergunning ingediend, die bij het college is ingekomen op 21 december 2004, en bij het besluit van 3 januari 2006 is geweigerd.

Op het voorste gedeelte van het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1994" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Agrarisch aanverwante bedrijven, dierenpension".

Op het achterste gedeelte van het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch gebied met gebiedseigen natuurwaarden, kwetsbaar - An -".

Voor zover het hekwerk is geplaatst op het voorste gedeelte van het perceel, heeft het college bij besluit van 30 september 2005 alsnog een bouwvergunning verleend. Het geschil ziet op de weigering vergunning te verlenen voor het plaatsen van het hekwerk op het achterste gedeelte van het perceel.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor het oprichten van het hekwerk geen bouwvergunning nodig is. Hij stelt zich tevens op het standpunt dat het plaatsen van een hekwerk niet is aan te merken als bouwen als bedoeld in de Woningwet.

2.2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder a, van de Woningwet wordt onder bouwen verstaan: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

Het begrip "bouwwerk" is in de Woningwet niet omschreven. Gelet hierop en op het feit dat in de modelbouwverordening een bruikbare definitie is gegeven, is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 17 oktober 2001 in zaak nr. 200004512/1; Gst. 2002, 7172, 11), bij herhaling aansluiting gezocht bij de in de modelbouwverordening gegeven definitie van het begrip "bouwwerk". Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren".

Gelet op de definitie van bouwen in de Woningwet, kan het betoog dat het oprichten van het hekwerk niet als bouwen kan worden aangemerkt, niet los worden gezien van de stelling dat het hekwerk geen bouwwerk betreft. De rechtbank heeft dit niet onderkend en ten onrechte hetgeen [appellant] aldus heeft gesteld als een te laat aangevoerd argument terzijde gelaten. Het hekwerk, in de vorm van in de grond geplaatste metalen palen waartussen gaaspanelen zijn aangebracht, moet evenwel aangemerkt worden als een bouwwerk, en het oprichten daarvan is bouwen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Woningwet.

2.3. Voor haar oordeel dat het hekwerk een bouwvergunningplichtig bouwwerk is, heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2007, nr. 200603920/1 in de procedure over het besluit van 19 november 2004, waarbij het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom heeft aangeschreven het hekwerk op het achterste gedeelte van het perceel af te breken. Hoewel de rechtskracht van voormeld oordeel is beperkt tot het handhavinggeschil terwijl thans de weigering van de bouwvergunning aan de orde is, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college het bouwwerk terecht bouwvergunningplichtig heeft geacht. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.3.1. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb) wordt, behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 4, als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de wet aangemerkt:

het bouwen van een erf- of perceelafscheiding, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

1) niet hoger dan 1 meter, of

2) niet hoger dan 2 meter en gebouwd:

a) op een erf of perceel waarop reeds een gebouw staat,

b) meer dan 1 meter achter de voorgevelrooilijn, en

c) meer dan 1 meter van de weg of het openbaar groen.

2.3.2. In de uitspraak van 14 februari 2007 heeft de Afdeling overwogen dat in het onderhavige geval sprake is van één kadastraal perceel en dat het hekwerk is geplaatst ten behoeve van het dierenpension dat op het voorste gedeelte van het perceel is gevestigd. Het achterste gedeelte van het perceel wordt gebruikt als uitlaatplaats en speelweide ten behoeve van het dierenpension. De bestemming "Agrarisch gebied met gebiedseigen natuurwaarden, kwetsbaar - An -" laat dit gebruik echter, anders dan op het voorste gedeelte van het perceel, waarop de bestemming "Agrarisch aanverwante bedrijven, dierenpension" rust, niet toe. De Afdeling heeft in voormelde uitspraak overwogen dat gelet op deze planologische regeling die bij de uitleg van het begrip "functionele relatie" in artikel 2 van het Bblb van doorslaggevend belang moet worden geacht, geen functionele relatie kan worden aangenomen tussen het dierenpension en het hekwerk, voor zover dat is geplaatst op het achterste gedeelte van het perceel. Het hekwerk is om die reden geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder e, van het Bblb. Thans is geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze is ook niet te vinden in de door [appellant] in hoger beroep betrokken stelling dat volgens inmeting door de gemeente Boxtel op 6 september 2006, de hoogte vanaf het peil tot de bovenkant van het hekwerk lager is dan 1 m, nu de vergunningaanvraag, die voor het college uitgangspunt vormt bij zijn beoordeling, ziet op een hekwerk dat hoger is dan 1 m. Uit het voorgaande volgt dat het college het hekwerk terecht bouwvergunningplichtig heeft geacht.

2.4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat een vergunning van rechtswege is verleend aangezien het college niet binnen de wettelijke termijn op de bouwaanvraag heeft beslist.

2.4.1. Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Woningwet beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een lichte bouwvergunning: binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het derde lid van artikel 46 is het eerste lid niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO wordt geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

Ingevolge artikel II.5, lid AI, onder 1, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart 2 als zodanig aangewezen gronden bestemd voor:

- behoud, versterking en/of ontwikkeling van de aan de gronden eigen zijnde kwetsbare natuurwaarde;

- de ontwikkeling van landbouw;

alsmede voor:

de agrarische bedrijfsvoering op bestaande (op plankaart 2 aangegeven) agrarische bedrijfcentra;

extensief recreatief medegebruik.

Ingevolge artikel II.5, lid B, mogen op de in lid AI onder 1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van en noodzakelijk voor de bedoelde bestemming worden gebouwd, waarbij de hoogte niet meer dan 1,50 m mag bedragen.

2.4.2. De rechtbank heeft terecht de conclusie getrokken dat het hekwerk op het achterste gedeelte van het perceel primair ten dienste staat van het dierenpension. De enkele omstandigheid dat op het achterste gedeelte ook schapen en geiten grazen, betekent niet dat daardoor de primaire functie van het hekwerk wijzigt. Het bouwplan is derhalve in strijd met artikel II.5 lid AI, onder 1, van de planvoorschriften, zodat gelet op artikel 46, derde lid, van de Woningwet, geen bouwvergunning van rechtswege is ontstaan. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.5. Het betoog dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of er mogelijkheden tot vrijstelling waren, faalt eveneens. Uit zowel het besluit van 3 januari 2006 als uit het besluit van 23 mei 2006 blijkt dat het college vrijstelling niet mogelijk acht. Daartoe heeft het gewezen op het beleid met betrekking tot erfafscheidingen dat er op is gericht om bebouwing in het buitengebied zoveel mogelijk te weren. Hekwerken acht het college, zoals blijkt uit artikel II.5, lid B, van de planvoorschriften uitsluitend toegestaan indien zij ten dienste zijn van en noodzakelijk voor de bedoelde bestemming, waarbij de hoogte niet meer dan 1,50 m mag bedragen. Nu het hekwerk niet ten dienste staat van de bestemming die op het achterste gedeelte van het perceel rust, heeft het college in redelijkheid vrijstelling kunnen weigeren. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Huijben

lid van de enkelvoudige kamer Ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

313-567.