Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2625

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200707937/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Duiven (hierna: het college) de aanvraag van [appellant] voor een gehandicaptenparkeerkaart als bestuurder afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707937/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. AWB 07/2014 van de rechtbank Arnhem van 28 september 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Duiven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Duiven (hierna: het college) de aanvraag van [appellant] voor een gehandicaptenparkeerkaart als bestuurder afgewezen.

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 september 2007, verzonden op 28 september 2007, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 november 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 december 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Na afloop van het vooronderzoek heeft [appellant] een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. drs. J.G.C. van Schaik, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.J.C. Hendriks en M. Jaspers, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (hierna: de Regeling), voor zover thans van belang, kunnen voor verstrekking van een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders van motorrijtuigen op meer dan twee wielen die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat het college de weigering niet heeft mogen baseren op de door het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) opgestelde medische adviezen van 24 november 2006, 23 januari 2007 en 7 maart 2007 (lees 14 maart 2007).

2.3. In het advies van 23 januari 2007 staat: "De medische problematiek van cliënt veroorzaakt een functiebeperking van de rug, dit brengt echter niet mee dat het portier volledig geopend moet worden voor het in en/of uitstappen. De in het bezwaarschrift beschreven procedure bij het in en uitstappen kan ook met een half geopende deur plaats vinden indien de autostoel voordien voldoende naar achteren wordt gezet."

In het advies van 14 maart 2007 staat: "Naar mijn mening moet zowel het uitstappen met een portier dat gedeeltelijk open is als het verzetten van de stoel als regel mogelijk zijn bij gebruik van een corset. Eventuele praktische problemen bij het verzetten van de stoel kunnen met eenvoudige hulpmiddelen worden ondervangen."

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank door te oordelen dat het college, gelet op de ingewonnen adviezen, mocht menen dat hij, ook in het geval dat het autoportier niet volledig is geopend, in staat is in en uit de auto te stappen, niet heeft onderkend dat naar dit in- en uitstappen geen gericht medisch onderzoek is ingesteld door de adviserend arts. Voorts betoogt hij dat de rechtbank in haar uitspraak ten onrechte niet is ingegaan op het aanbod dat het gemeentebestuur aan hem heeft gedaan - en dat ter zitting ook aan de orde is geweest - om in aanmerking te komen voor een uitdraaibare autostoel. Volgens [appellant] onderschrijft dit aanbod de noodzaak tot het verstrekken van een invalideparkeerkaart, omdat ook indien een dergelijke stoel wordt geplaatst het volledig kunnen openen van het portier noodzakelijk is.

2.5. [appellant] heeft zijn in beroep ingenomen stelling dat ook indien de uitdraaibare autostoel wordt geplaatst, hetgeen in februari 2008 daadwerkelijk is geschied, het volledig kunnen openen van het portier noodzakelijk blijft, in hoger beroep nader onderbouwd door het indienen van een kopie van een pagina van de website van Bever autoaanpassingen. Daaruit kan worden afgeleid dat het portier van de auto maximaal geopend dient te kunnen worden indien een draaibare autostoel is geplaatst. De niet nader onderbouwde ontkenning van deze noodzaak door het college, kan de nadere motivering door [appellant] niet ontkrachten.

2.6. De rechtbank is ten onrechte niet op de stelling van [appellant] ingegaan, dat ook indien de uitdraaibare autostoel wordt geplaatst het volledig kunnen openen van het portier noodzakelijk blijft. Zonder daarop in te gaan kon de rechtbank niet tot het oordeel komen dat het college, gelet op de ingewonnen adviezen, terecht het standpunt heeft ingenomen dat [appellant], ook in het geval dat het autoportier niet volledig is geopend, in staat is in en uit de auto te stappen.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De rechtbank dient bij haar uitspraak ook in te gaan op de vraag of de noodzaak het portier geheel te kunnen openen de verstrekking van een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder rechtvaardigt. Daarbij zou zij de vraag, die zij thans onbesproken heeft gelaten, moeten betrekken of de stelling van het college, dat de door [appellant] geschetste situatie niet onder het toepassingsbereik van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling zou kunnen vallen, juist is te achten.

2.8. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State terugwijzen naar de rechtbank opdat zij haar opnieuw behandelt.

2.9. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van die kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 september 2007 in zaak nr. AWB 07/2014;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 35,08 (zegge: vijfendertig euro en acht cent), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;

V. gelast dat de gemeente Duiven aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

280.