Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2622

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200706128/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel (hierna: het college) geweigerd medewerking te verlenen aan het wijzigen van het bestemmingsplan dan wel het verlenen van vrijstelling daarvan ten behoeve van de vestiging van een paardenfokkerij en de bouw van een hal op het perceel Oude Commissieweg 18 te Noardburgum (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706128/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2748 van de rechtbank Leeuwarden van 13 juli 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel (hierna: het college) geweigerd medewerking te verlenen aan het wijzigen van het bestemmingsplan dan wel het verlenen van vrijstelling daarvan ten behoeve van de vestiging van een paardenfokkerij en de bouw van een hal op het perceel Oude Commissieweg 18 te Noardburgum (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 november 2006 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover de paardenfokkerij niet was aangemerkt als een "agrarisch bedrijf" als bedoeld in het bestemmingsplan "Buitengebied 1997", de paardenfokkerij alsnog als zodanig aangemerkt en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2007, verzonden op 16 juli 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2008.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] heeft het college verzocht gebruik te maken van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid dan wel vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen, omdat hij voornemens is een paardenfokkerij op het perceel te vestigen. Ten behoeve van deze fokkerij wil hij op het perceel een hal bouwen van ongeveer 30 bij 60 m. Op het perceel rust de bestemming "Woondoeleinden". Vast staat dat vestiging van het beoogde bedrijf met hal op grond van het geldende bestemmingsplan niet mogelijk is.

2.2. Het college is niet bereid medewerking te verlenen aan een bestemmingsplanwijziging of een vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Het college acht wijziging dan wel vrijstelling van het bestemmingsplan niet mogelijk omdat het de vestiging van een paardenfokkerij, gelet op de te beschermen landschappelijke waarden, in strijd met een goede ruimtelijke ordening acht, mede in het licht van de omstandigheid dat het perceel is gelegen in een gebied dat is aangewezen tot Nationaal Landschap. Daarnaast bestaan volgens het college stedenbouwkundige bezwaren en vormt een paardenfokkerij met een hal van 30 bij 60 m een onevenredige inbreuk op de woonomgeving nu deze op minder dan 50 m van het dichtstbijzijnde woonperceel is gepland.

Volgens [appellant] heeft het college de vestiging van een paardenfokkerij met hal op het perceel ten onrechte niet als een goede ruimtelijke ontwikkeling heeft aangemerkt,

2.3. Het betoog van [appellant] in hoger beroep komt neer op herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft die gronden terecht en op goede gronden verworpen. Zij heeft daartoe met juistheid overwogen dat de wijziging van het bestemmingsplan dan wel de vrijstelling daarvan discretionaire bevoegdheden van het college betreffen en dat het college de redenen waarom zij niet van die bevoegdheden gebruik heeft gemaakt, voldoende heeft onderbouwd. Aldus is zij tot de juiste slotsom gekomen dat het college de door [appellant] gevraagde medewerking in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Huijben

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

313-567.