Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2621

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200705897/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 17 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (hierna: het college) aan [appellanten] meegedeeld dat aan hen per 8 december 2004 van rechtswege een bouwvergunning is verleend voor het plaatsen van een erfafscheiding op het perceel [locatie] te Zoetermeer (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705897/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/8007 van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 juli 2007 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer.

1. Procesverloop

Bij brief van 17 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (hierna: het college) aan [appellanten] meegedeeld dat aan hen per 8 december 2004 van rechtswege een bouwvergunning is verleend voor het plaatsen van een erfafscheiding op het perceel [locatie] te Zoetermeer (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft het college het daartegen door [partij] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de van rechtswege verleende bouwvergunning herroepen.

Bij uitspraak van 10 juli 2007, verzonden op 11 juli 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellanten] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief bij de Raad van State ingekomen op 18 september 2007.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2008, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. J.W. Genuit, en het college vertegenwoordigd door M.E.J. Pieters, in dienst van de gemeente zijn verschenen. Tevens is [partij] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een erfafscheiding op het perceel, met een lengte die aan de voorzijde van het perceel ongeveer 20 m bedraagt en aan de zijkant ongeveer 6 m. De hoogte is 1,80 m.

Ingevolge het ter plaatse geldende het bestemmingsplan "Dorpstraat 97" rust op het perceel de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 23, aanhef en onder g, van de planvoorschriften blijven de voorschriften van de bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard overeenkomstig het gestelde in artikel 2 van de Woningwet buiten toepassing, behoudens ten aanzien van erf- en tuinafscheidingen.

Ingevolge artikel 2.5.18, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Zoetermeer (hierna: de bouwverordening), zoals dit luidde ten tijde van belang, zijn erf- en tuinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder k, van de Woningwet, niet toegelaten.

Ingevolge het tweede lid van artikel 2.5.18 kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid, in het belang van het af te scheiden erf of terrein.

2.2. Niet in geschil is dat de in de bouwaanvraag voorziene erfafscheiding in strijd is met het bepaalde in artikel 2.5.18, eerste lid, van de bouwverordening.

[appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aanpassingen van het bouwplan met betrekking tot het aanzicht en de plaats van de erfafscheiding op het perceel, zodanig van het eerste bouwplan verschillen dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken. De rechtbank heeft, volgens [appellanten], dan ook ten onrechte geoordeeld dat het college kon afzien van een beoordeling van het aangepaste bouwplan en dat zij gehouden waren een nieuwe aanvraag in te dienen.

2.2.1. Dit betoog slaagt. Voorop staat dat het college behoort te beslissen op de aanvraag om bouwvergunning zoals deze is ingediend. Dit neemt niet weg dat, indien er beletselen zijn voor vergunningverlening, het bouwplan na indiening binnen bepaalde marges kan worden bijgesteld. Het moet dan gaan om aanpassingen van ondergeschikte aard.

De rechtbank is er, blijkens de aangevallen uitspraak, vanuit gegaan dat de bouwaanvraag van 22 september 2004 voorzag in een erfafscheiding op de plaats waar deze feitelijk al was opgericht. Mede daarom is zij tot het oordeel gekomen dat de aangebrachte aanpassingen in het bouwplan niet van ondergeschikte aard waren, zodat niet meer van hetzelfde bouwplan kon worden gesproken en een nieuwe aanvraag diende te worden ingediend.

Uit de bouwtekening behorende bij de aanvraag om bouwvergunning blijkt evenwel dat de erfafscheiding is voorzien in de erfgrens van het perceel.

De omstandigheid dat de erfafscheiding feitelijk (gedeeltelijk) niet in de erfgrens is gebouwd, wijzigt de strekking van de aanvraag niet. De aangebrachte aanpassing in het bouwplan heeft uitsluitend betrekking op de volgorde waarin de transparante en dichte panelen zijn gerangschikt. Ook in stedenbouwkundig opzicht heeft het plan geen wezenlijke wijziging ondergaan. Het bouwplan voorziet derhalve nog steeds op een erfafscheiding in de erfgrens. Het college had bij zijn beoordeling van die aanvraag uit moeten gaan. De rechtbank is ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de wijziging van het bouwplan niet van ondergeschikte aard was.

2.3. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank, door te oordelen dat het college op grond van het door [partij] ingediende bezwaarschrift niet gehouden was in bezwaar te bezien of alsnog vrijstelling aan het bouwplan kon worden verleend, de heroverwegingsfunctie van de bezwaarprocedure niet heeft onderkend.

2.4. Dit betoog slaagt eveneens. In de door [partij] in zijn bezwaarschrift aangevoerde argumenten had het college, mede gezien de belangen van [appellanten] en in het licht van de volledige heroverwegingsfunctie van de bezwaarprocedure, moeten onderkennen dat het mede diende te beoordelen of alsnog vrijstelling ten behoeve van het plaatsen van de erfafscheiding kon worden verleend. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend en daarmee de reikwijdte van de bezwarenprocedure te zeer beperkt.

2.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [appellanten] bij de rechtbank alsnog gegrond verklaren. Het besluit op bezwaar van 22 augustus 2006 komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht eveneens voor vernietiging in aanmerking en het college dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 juli 2007 in zaak nr. 06/8007;

III. verklaart het door [appellanten] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van 22 augustus 2006, kenmerk BL 2004/1073;

V. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: eenduizendtweehonderdenachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Zoetermeer aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Zoetermeer aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 355,00 (zegge: driehonderdvijfenvijtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Huijben

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

313-567.