Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2615

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200801959/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) aan de Vereniging tot instandhouding van het Praktijkonderwijs Leiden (hierna: de Vereniging Praktijkonderwijs) bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een schoolgebouw voor het praktijkonderwijs op het perceel Boerhaavelaan 345 te Leiden (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801959/2.

Datum uitspraak: 23 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van [verzoeker A] en [verzoeker B] om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker A] en [verzoeker B], wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nrs. 07/9438 en 07/9830 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 februari 2008 in het geding tussen:

[verzoeker A], [verzoeker C] en [verzoeker B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) aan de Vereniging tot instandhouding van het Praktijkonderwijs Leiden (hierna: de Vereniging Praktijkonderwijs) bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een schoolgebouw voor het praktijkonderwijs op het perceel Boerhaavelaan 345 te Leiden (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 november 2007 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [verzoeker A] en [verzoeker B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 februari 2008, verzonden op 7 februari 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [verzoeker A] en [verzoeker B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 november 2007 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2008, hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 20 maart 2008 heeft het college het door [verzoeker A] en [verzoeker B] tegen het besluit van 13 juli 2007 gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] bij brief, bij de rechtbank ingekomen op 7 april 2008, beroep ingesteld. De rechtbank heeft het desbetreffende beroepschrift doorgezonden naar de Raad van State. Bij deze brief hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 mei 2008, waar [verzoeker A], in persoon, bijgestaan door mr. drs. J.F. Snik, het college, vertegenwoordigd door mr. A. Kooij, G.J. Distelbrink en C. Hopman, ambtenaren in dienst van de gemeente, en de Vereniging Praktijkonderwijs, vertegenwoordigd door K.M.P.H. Bakx en J.L.H. van der Vlist, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker A] en [verzoeker B] hebben hoger beroep ingesteld tegen de overwegingen in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2008 waarin hun beroepsgronden over de bevoegdheid van het college om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) zijn verworpen. Derhalve staat het oordeel van de voorzieningenrechter hieromtrent niet vast. Nu de uitspraak op dit hoger beroep gevolgen zal hebben voor het besluit van 20 maart 2008, wordt het verzoek om voorlopige voorziening mede beschouwd in het licht van de desbetreffende beroepsgronden tegen het besluit van 13 november 2007.

2.3. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen.

Ingevolge de Aanwijzing van categorieën van gevallen van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) van 9 oktober 2007, voor zover thans van belang, kan vrijstelling niet worden verleend voor:

- gebieden gelegen binnen 800 m rondom de in de streekplannen en de nota "Knopen Leggen" aangegeven (inter)nationale, bovenregionale en regionale knopen, tenzij sprake is van het veranderen, herbouwen, uitbreiden of verbouwen van bestaande bebouwing en/of het realiseren van een nieuw project van minder dan 25 woningen met de bijbehorende erfbebouwing, garages, parkeerplaatsen, tuinen, et cetera;

- de gebieden gelegen binnen een straal van 400 m van een traditionele windmolen (niet zijde molenstompen en molenrestanten). In situaties waarin de vrije windvang en het zicht op de molen reeds beperkt zijn en als gevolg van de ingreep beide aspecten niet verder verslechteren mag de vrijstelling wel worden verleend.

2.4. Hetgeen [verzoeker A] en [verzoeker B] naar voren hebben gebracht, geeft onvoldoende grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan valt binnen de door het college van gedeputeerde staten aangegeven categorieën van gevallen.

Het perceel is gelegen op een afstand van minder dan 800 m van de in de nota "Knopen Leggen" aangegeven bovenregionale knoop Leiden CS. Nu het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Houtkwartier 1993" de bouw van een schoolgebouw mogelijk maakt, moet het bouwplan worden aangemerkt als het uitbreiden van bestaande bebouwing. Dat de uitbreiding ook is voorzien op gronden die bestemd zijn voor "Spoorwegdoeleinden", maakt dat niet anders.

Het perceel is voorts gelegen binnen een straal van 400 m van een traditionele windmolen, de Maredijkmolen. In het rapport van Peutz van 1 december 2006, dat is opgesteld met als doel te bezien wat de invloed wordt van het bouwplan op het mogelijke functioneren van de molen, is vermeld dat de langs de Zweilandlaan staande hoge bomen het windaanbod vanuit de zuidelijke richting op de Maredijkmolen aanzienlijk beperken en dat de uitvoering van het bouwplan een verwaarloosbare invloed daarop heeft. Aangezien derhalve niet aannemelijk is dat de vrije windvang verder verslechtert als gevolg van het bouwplan, betekent de omstandigheid dat het perceel is gelegen binnen een straal van 400 m van de Maredijkmolen evenmin dat niet met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kon worden verleend.

2.5. Het besluit van 20 maart 2008 is een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van deze wet, dient het hoger beroep te worden geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht. Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft hierop eveneens betrekking.

2.6. In de omstandigheid dat [verzoeker A] en [verzoeker B] niet in de gelegenheid zijn gesteld om tijdens een hoorzitting te worden gehoord over het rapport van Peutz van 18 februari 2008, waarin de resultaten zijn neergelegd van een onderzoek naar de geluidgevolgen van het gebruik van het schoolgebouw voor de omgeving daarvan, bestaat als zodanig geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

In het rapport van Peutz van 18 februari 2008 is geconcludeerd dat er uit akoestisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor het verlenen van medewerking aan het bouwplan. [verzoeker A] en [verzoeker B] hebben de uitgangspunten en conclusies van dit rapport in hun beroepschrift van bestreden. Ir. J.A. Huizer en ir. G.W. Guichelaar van Peutz hebben op 22 april 2008 een gemotiveerde reactie opgesteld en in de door [verzoeker A] en [verzoeker B] geplaatste kantekeningen geen aanleiding gezien om te concluderen dat het onderzoek en de uitkomsten daarvan niet deugdelijk zouden zijn. Deze reactie is door de milieudienst West-Holland bij brief van 24 april 2008 uitdrukkelijk onderschreven. Mede gelet hierop bestaat in hetgeen [verzoeker A] en [verzoeker B] hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich bij het besluit van 20 maart 2008 niet op het rapport van Peutz van 18 februari 2008 heeft mogen baseren en niet het standpunt heeft kunnen innemen dat uit oogpunt van geluidhinder vrijstelling en bouwvergunning kon worden verleend. Daarbij is betrokken dat, zo is ter zitting gebleken, het bouwplan ook zonder de op het schoolgebouw geprojecteerde basketbalkooi kan worden uitgevoerd, indien de Afdeling in de bodemprocedure tot het oordeel komt dat het college vanwege de geluidsaspecten ten gevolge van het gebruik van de basketbalkooi, niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen. Geen reden bestaat derhalve voor het oordeel dat om die reden in afwachting van de bodemzaak een voorlopige voorziening dient te worden getroffen.

2.7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2008

163-499.