Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2607

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200706760/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Delft (hierna: het college) [appellant sub 1] onder oplegging van een dwangsom gelast de bewoning van het pand [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) te staken en niet meer te hervatten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/252
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706760/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. het college van burgemeester en wethouders van Delft,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/6592 van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 augustus 2007 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Delft (hierna: het college) [appellant sub 1] onder oplegging van een dwangsom gelast de bewoning van het pand [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) te staken en niet meer te hervatten.

Bij besluit van 14 juni 2006 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 augustus 2007, verzonden op 10 augustus 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 14 juni 2006 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2007, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2007, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 november 2007.

[appellant sub 1] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2008, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. J.W. van der Kooi, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door en mr. P.C. van Buul-Mencke en I. Ban, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het onderhavige perceel deels de bestemming "Woondoeleinden" en deels de bestemming "Erf".

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder r., van de planvoorschriften, wordt onder aanbouw verstaan een aan een hoofdgebouw aan- of uitgebouwd gedeelte in één of meer bouwlagen, toegankelijk vanuit dat hoofdgebouw, dat afzonderlijk herkenbaar is en in constructief en functioneel opzicht met het hoofdgebouw is verbonden zodat het daarmee een eenheid vormt.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor WOONDOELEINDEN (W) bestemd voor woningen en de daarbij behorende nevenruimten zoals bergingen en garages alsmede voor nutsvoorzieningen.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, is het verboden, de in het plan begrepen gronden en de daarop overeenkomstig de uit het plan voortvloeiende bestemming(en) gebouwde opstallen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze, of tot een doel strijdig met de bestemming(en).

Ingevolge artikel 32, vijfde lid, verleent het college vrijstelling van het bepaalde in het eerste lid, indien strikte toepassing leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik van de grond en de bebouwing, die niet om dringende redenen gerechtvaardigd is.

Ingevolge artikel 35, is het college bevoegd het plan met toepassing van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te wijzigen indien de wijziging betrekking heeft op:

8. Het tot hoofdgebouw aanwijzen van een aanbouw indien gebleken is dat deze aanbouw abusievelijk ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan niet als hoofdgebouw is aangemerkt, dan wel indien uit nader (historisch of bouwkundig) onderzoek blijkt dat een aanbouw toch de status van hoofdgebouw verdient.

9. Het tot hoofdgebouw bestemmen van een aanbouw of bijgebouw aanwezig op een binnenterrein en het daaraan toekennen van een bestemming voor woon- of gemengde doeleinden mits een eigen ontsluiting op het openbaar gebied aanwezig is.

2.2. Het pand was, evenals het pand Bagijnestraat 3, in gebruik als pakhuis ten behoeve van een meubelstoffeerderij die gevestigd was aan het Bagijnehof 36. Er was sprake van één gebouwencomplex. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is rekening gehouden met een gezamenlijke herontwikkeling van de betrokken percelen. De panden zijn evenwel afzonderlijk verkocht en aan de nieuwe eigenaar van Bagijnehof 36 is een bouwvergunning verleend voor het realiseren van twee appartementen op die locatie.

2.3. [appellant sub 1] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik van het pand als zelfstandige woning in overeenstemming is met de bestemming "Erf". Daartoe verwijst zij naar de toelichting op het bestemmingsplan, waarin is opgenomen dat door de gehele binnenstad de woonfunctie toelaatbaar is en dat alle hoofdgebouwen in het plangebied voor bewoning kunnen worden gebruikt. Voorts wijst zij op een passage in de toelichting waarin is opgenomen dat een erf een binnenterrein omvat, dat aansluit op een hoofdgebouw en dat in aanmerking komt voor aanbouwen en bijgebouwen. Volgens [appellant sub 1] is haar pand echter een hoofdgebouw, op grond waarvan het pand in de huidige toestand geen "erf" kan zijn.

2.3.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het gebruik van het pand in strijd is met het bestemmingsplan, nu het gebruik niet in overeenstemming is met de ter plaatse geldende bestemming "Erf". Voor zover [appellant sub 1] verwijst naar algemene en samenvattende passages uit de toelichting op het bestemmingsplan, kan dit, wat er verder van die passages zij, niet afdoen aan hetgeen in de planvoorschriften is opgenomen.

2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de zogeheten toverformule, die is opgenomen in artikel 32, vijfde lid, van de planvoorschriften, geen toepassing kan worden gegeven. Volgens [appellant sub 1] is zinvol gebruik overeenkomstig het bestemmingsplan niet meer mogelijk, nu het pand vanwege de smalle straat waaraan dit is gelegen niet met een vrachtwagen kan worden bevoorraad.

2.5.1. Dit betoog faalt. Naar volgt uit artikel 7, derde lid, van de planvoorschriften, is het gebruik van het onderhavige pand als pakhuis nog steeds toegestaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het gebruik van het pand als pakhuis voor dat doel naar objectieve maatstaven bezien mogelijk is. Niet is gebleken dat het pand om bouwkundige dan wel om andere redenen niet geschikt is voor gebruik als opslagruimte. Niet valt in te zien dat zodanig gebruik slechts mogelijk is indien het pand vanaf de straat waarin het is gelegen met een vrachtwagen kan worden bevoorraad. De door [appellant sub 1] aangebrachte bouwkundige aanpassingen om het pand geschikt te maken voor bewoning dienen, voor zover deze al in de weg zouden staan aan een gebruik voor opslagdoeleinden, voor de toepassing van de toverformule buiten beschouwing te blijven nu deze zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning zijn gerealiseerd en het college daarin niet berust.

Het college heeft zich, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat aan de toverformule als bedoeld in artikel 32, vijfde lid, van de planvoorschriften, geen toepassing kan worden gegeven.

2.5.2. Voorts betoogt [appellant sub 1] tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat met toepassing van artikel 35, achtste en negende lid, van de planvoorschriften, het door haar gewenste gebruik kan worden toegestaan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen sprake is van een binnenterrein als bedoeld in artikel 35, negende lid, van de planvoorschriften. Voorts kan het wijzigen van het plan als bedoeld in artikel 35, achtste lid, niet de strijdigheid met de ter plaatse rustende bestemming "Erf" wegnemen. Reeds om die reden heeft de rechtbank met recht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 35, achtste en negende lid, van de planvoorschriften, in dit geval toepassing missen.

2.5.3. Ten slotte heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Het college heeft gezien zijn ruime beslissingsruimte bij de toepassing van deze bevoegdheid kunnen vasthouden aan de uitgangspunten zoals neergelegd in het bestemmingsplan, waarbij onder meer van belang is geacht het bevorderen van en het open houden van erven en binnenterreinen.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen concreet zicht op legalisatie van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het pand bestaat.

2.6. Van de kant van het college is in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep van [appellant sub 1] op het vertrouwensbeginsel slaagt. Daartoe voert het college aan dat aan de door [appellant sub 1] gestelde mededelingen van ambtenaren niet de betekenis toekomt die zij daaraan hecht. Voorts heeft de rechtbank volgens het college ten onrechte van belang geacht dat aan [appellant sub 1] een huisvestingsvergunning was verleend, nu deze vergunning betrekking heeft op een ander, van de Woningwet te onderscheiden, wettelijk regime.

2.6.1. Dit betoog slaagt. Daargelaten wat de door ambtenaren verstrekte mondelinge informatie aan [appellant sub 1] en andere personen inhield, kon [appellant sub 1] aan deze informatie volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2008 in zaak nr. 200704391/1) niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat het gebruik van het pand in overeenstemming met het bestemmingsplan moest worden geacht, dan wel dat het college tegen het gebruik van het pand in strijd met de op het onderhavige perceel rustende bestemming niet zou optreden.

Het feit dat in de aan [appellant sub 1] verleende huisvestingsvergunning voor het in gebruik nemen van het onderhavige pand als woning is vermeld dat zij verplicht is binnen acht weken na het beschikbaar komen van de woning deze in gebruik te nemen, kan voormeld vertrouwen evenmin rechtvaardigen. Voormelde verplichting houdt uitsluitend verband met de gelding van de huisvestingsvergunning en laat onverlet dat er buiten het bereik van de desbetreffende regelgeving vallende beletselen kunnen zijn die in de weg staan aan een ingebruikname van de woning binnen de daarvoor in de huisvestingsvergunning gestelde termijn. Het college betoogt terecht dat hier sprake is van verschillende wettelijke regimes met een uiteenlopend doel en dat, ook al is het college in beide gevallen het bevoegde bestuursorgaan, de aan [appellant sub 1] verleende huisvestingsvergunning niet van betekenis is voor de toepassing van de Woningwet en het ter plaatse geldende planologische regime. De toetsingscriteria van de huisvestingsvergunning zijn van andere dan planologische aard en geven derhalve geen indicatie over de toelaatbaarheid van de bewoning van het pand op grond van het bestemmingsplan.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het beroep van [appellant sub 1] op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen.

2.7. [appellant sub 1] betoogt ten slotte tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat er bijzondere omstandigheden bestaan op grond waarvan het college van handhavend optreden behoorde af te zien. Dat omwonenden hebben aangegeven bewoning van het pand op prijs te stellen, kan niet als een zodanige omstandigheid worden aangemerkt. Dit geldt tevens voor het feit dat [appellant sub 1] in het pand heeft geïnvesteerd, hetgeen voor haar eigen risico komt. Ook anderszins is niet van dergelijke omstandigheden gebleken.

2.8. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Het hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het besluit van 14 juni 2006 wegens strijd met het vertrouwensbeginsel is vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenstaande, het beroep tegen het besluit van 14 juni 2006 van het college alsnog ongegrond verklaren.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van het college gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 augustus 2007 in zaak nr. 06/6592, voor zover daarbij het besluit van 14 juni 2006 vanwege strijd met het vertrouwensbeginsel is vernietigd;

III. bevestigt de uitspraak voor het overige;

IV. verklaart het door Y.C.J. [appellant sub 1] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Wijers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

444