Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2603

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200705973/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ermelo (hierna: het college) aan [appellante sub 1] bouwvergunning verleend voor het gewijzigd bouwen van een loods ten dienste van de agrarische bestemming op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705973/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1], gevestigd te Putten,

2. [appellant sub 2 A], [appellant sub 2 B] en [appellante sub 2 C], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1102 van de rechtbank Zutphen van 18 juli 2007 in het geding tussen:

[appellante sub 1],

en

het college van burgemeester en wethouders van Ermelo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ermelo (hierna: het college) aan [appellante sub 1] bouwvergunning verleend voor het gewijzigd bouwen van een loods ten dienste van de agrarische bestemming op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 31 maart 2006 heeft het college het tegen het besluit van

25 oktober 2005 door [appellant sub 2 A], [appellant sub 2 B], [appellante sub 2 D] en [appellante sub 2 C] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen en de bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 18 juli 2007, verzonden op 19 juli 2007, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante sub 1] ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover [appellant sub 2 A], [appellant sub 2 B] en [appellante sub 2 C] in hun bezwaar ontvankelijk zijn verklaard, het besluit van 25 oktober 2005 in zoverre vernietigd, het bezwaar van voornoemde personen niet-ontvankelijk verklaard, bepaald dat die uitspraak in zoverre in de plaats treedt van dat besluit en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2007, en [appellant sub 2 A], [appellant sub 2 B], [appellante sub 2 D] en [appellante sub 2 C] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.

[appellante sub 1] heeft de gronden van haar hoger beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2007. [appellant sub 2 A], [appellant sub 2 B], [appellante sub 2 D] en [appellante sub 2 C] hebben de gronden van hun hoger beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2007.

[appellante sub 1] en [appellant sub 2 A], [appellant sub 2 B], [appellante sub 2 D] en [appellante sub 2 C] hebben een reactie ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellant sub 2 A], [appellant sub 2 B], [appellante sub 2 D] en [appellante sub 2 C] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2008, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [directeur], en [gemachtigde], bijgestaan door mr. A.S.D. Lijkwan en mr. G.A. van der Veen, advocaten te Rotterdam, [appellant sub 2 B] en [appellante sub 2 C], bijgestaan door mr. I.J.J.M. Roorda, advocaat te Vught, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.A. Oosterveer, ambtenaar in dienst van de gemeente, bijgestaan door mr. V.A. Textor, advocaat te Zwolle, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het hoger beroep van [appellant sub 2 A], [appellant sub 2 B], [appellante sub 2 D] en [appellante sub 2 C].

2.1. Ter zitting is het hoger beroep, voor zover dit is ingesteld door [appellante sub 2 D], ingetrokken.

2.2. Aan hetgeen in het hoger beroepschrift is aangevoerd met betrekking tot het besluit van 4 augustus 2004, waarbij door het college aan [appellante sub 1] bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een loods op het perceel, dient te worden voorbij gegaan, nu dat besluit buiten het thans aan de orde zijnde geding valt.

2.3. [appellant sub 2 A], [appellant sub 2 B] en [appellante sub 2 C] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hun bezwaar tegen het besluit van 25 oktober 2005 niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

2.3.1. Anders dan [appellant sub 2 A], [appellant sub 2 B] en [appellante sub 2 C] kennelijk veronderstellen, heeft de rechtbank niet overwogen dat zij in hun bezwaar niet-ontvankelijk hadden moeten worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat bij hen onvoldoende eigen, actueel en objectief bepaalbaar belang aanwezig is dat zich onderscheidt van het belang van een willekeurige andere bewoner van het betrokken gebied en zij derhalve geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn.

2.3.2. Uit de door het college overgelegde satellietfoto en het ter zitting verhandelde blijkt dat [appellant sub 2 A], [appellant sub 2 B] en [appellante sub 2 C] niet in de onmiddellijke nabijheid van het perceel wonen, maar op een afstand van ongeveer 350 m. Tussen het perceel en de percelen van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] zijn gebouwen gelegen en tussen het perceel en het perceel van [appellante sub 2 C] is daarnaast tevens bebossing gelegen, zodat het zicht op de loods beperkt is. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank, mede in aanmerking genomen de ruimtelijke uitstraling van de loods, terecht overwogen dat zij niet als belanghebbende in voormelde zin zijn aan te merken.

2.4. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant sub 2 A], [appellant sub 2 B] en [appellante sub 2 C], is ongegrond.

Het hoger beroep van [appellante sub 1]

2.5. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan

"Buitengebied 1983" (hierna: het bestemmingsplan), zoals herzien bij wijziging nr. 21, rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied A" met de aanduiding "slachterij".

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de agrarische bedrijfsvoering met uitzondering van de paardenhouderij en de pelsdierhouderij.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, mogen op deze gronden uitsluitend gebouwen, bedrijfswoningen en andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

Ingevolge het derde lid, onder a, mogen gebouwen uitsluitend binnen de op de kaart aangegeven bouwvlakken worden gebouwd.

Ingevolge artikel 1, onder p, is een agrarisch bedrijf een akkerbouw- of weidebouwbedrijf, een bloementeelt-, sierteelt- of boomkwekerijbedrijf, een fruitteelt- of tuinbouwbedrijf, alsmede een pluimvee-, varkens-, rundvee- of mestkalverenhouderij, een champignonkwekerij, dan wel een uit twee of meer van genoemde bedrijfstakken samengesteld bedrijf, al dan niet met vee.

2.6. [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het gebruik van de loods voor een wormenkwekerij en de stalling van paarden rechtstreeks voortvloeit uit de bij het besluit van 4 augustus 2004 verleende bouwvergunning en dat, nu de aanvraag om bouwvergunning van 11 oktober 2005 ziet op hetzelfde gebruik, de bouwvergunning ten onrechte is geweigerd.

2.6.1. Dat betoog faalt. Bij de beoordeling van de bouwaanvraag van

11 oktober 2005 stond opnieuw ter toets of het met de te realiseren bouw beoogde gebruik van de loods strookt met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit niet het geval is, aangezien het kweken van wormen en het stallen van paarden geen activiteiten zijn die vallen onder de ingevolge het bestemmingsplan ter plaatse toegestane agrarische bedrijfsvoering.

Dat, zoals [appellante sub 1] betoogt, uit het in de planvoorschriften opgenomen verbod op paardenhouderij niet volgt dat het hobbymatig houden van paarden verboden is, leidt niet tot een ander oordeel. Naar [appellante sub 1] te kennen heeft gegeven, is de loods geschikt om veertig paarden te houden. Het houden van een dermate groot aantal paarden gaat de grenzen van een als hobby toelaatbare vorm van gebruik te buiten.

De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

2.7. Nu de rechtbank het bouwplan reeds gezien het vorenstaande terecht in strijd met het bestemmingsplan heeft geacht, behoefde zij niet meer in te gaan op het betoog van [appellante sub 1] dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan het op de plankaart aangegeven bouwvlak met 5 m overschrijdt. De grief van [appellante sub 1] dat de rechtbank ten onrechte aan dat betoog is voorbijgegaan, faalt derhalve eveneens.

2.8. Het hoger beroep van [appellante sub 1] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Oudenaller

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

17-179-530.