Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2592

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200707700/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leerdam (hierna: het college) aan [appellante] geweigerd een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een inrichting voor het houden van vleeskuikens en vleeskalveren aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 27 september 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/462
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707700/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B],

en

het college van burgemeester en wethouders van Leerdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leerdam (hierna: het college) aan [appellante] geweigerd een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een inrichting voor het houden van vleeskuikens en vleeskalveren aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 27 september 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 november 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd mr. M.J. Smaling, en het college, vertegenwoordigd door A. Schuurmans, werkzaam bij de gemeente, en J.A.M. van Etten, werkzaam bij de milieudienst Zuid-Holland Zuid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] voert aan dat het college ten onrechte ervan uit is gegaan dat de woning [locatie 2], eigendom van [appellante], is aan te merken als een burgerwoning. Zij voert daartoe aan dat op de tekening behorende bij de aanvraag de woning [locatie 2] deel uitmaakt van de inrichting. Gelet hierop betreft het volgens haar geen woning waarmee bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder rekening moet worden gehouden. Derhalve wordt aan de minimale aan te houden afstand van de richtlijn "Veehouderij en stankhinder" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de richtlijn) voldaan en er geen reden is voor weigering van de gevraagde vergunning.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3. Het college heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de richtlijn gehanteerd. Voor zover het de indeling in omgevingscategorieën betreft, heeft het college toepassing gegeven aan de brochure "Veehouderij en Hinderwet" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

2.4. Op de tekening die deel uitmaakt van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende aanvraag is als onderdeel van de inrichting de woning [locatie 2] opgenomen. Het moet ervoor worden gehouden dat is beoogd vergunning te vragen om deze woning als een bij de inrichting behorende bedrijfswoning te gebruiken. Verweerder heeft derhalve deze woning ten onrechte aangemerkt als een voor stank gevoelig object waarmee bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder rekening gehouden dient te worden. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van 20 september 2007, kenmerk LE 06.2006/ LE 07.2551/ JET;

III. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Leerdam aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de gemeente Leerdam aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

325-578.