Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2590

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200705412/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een legkippen- en rundveehouderij met opslag van dieselolie en smeerolie. Dit besluit is op 27 juni 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/435
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705412/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu, gevestigd te Hengelo,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een legkippen- en rundveehouderij met opslag van dieselolie en smeerolie. Dit besluit is op 27 juni 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft de stichting Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna: de stichting) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2008, waar de stichting, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door drs. S.F.M. Anzion en ing. M. Betzema, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], bijgestaan door mr. D. Pool, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft [vergunninghouder] aangevoerd dat de stichting niet kan worden aangemerkt als belanghebbende.

2.1.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover thans van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.1.2. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de statuten van de stichting heeft zij onder meer ten doel het bevorderen van, het toezien op en de handhaving van de naleving van de regelgeving op het gebied van de ruimtelijke ordening, natuurwetgeving en milieuwetgeving, de bescherming en het verbeteren van natuur, landschap, ruimtelijke ordening en milieu en het streven naar stilte en veiligheid en het verrichten van alle handelingen die met het vorenstaande verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

Deze doelstelling omschrijft voldoende welbepaald de algemene en collectieve belangen die door de stichting in het bijzonder worden behartigd. Ook uit feitelijke werkzaamheden blijkt deze belangenbehartiging. Deze belangen worden rechtstreeks door het bestreden besluit geraakt.

Gelet hierop kan de stichting worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2. Ter zitting heeft de stichting de beroepsgrond dat bij de terinzagelegging van het ontwerp van het besluit niet alle stukken ter inzage zijn gelegd ingetrokken.

2.3. De stichting voert aan dat de aanvraag is gewijzigd nadat het ontwerp van het bestreden besluit ter inzage is gelegd.

2.3.1. De Afdeling stelt vast dat vóór noch na de terinzagelegging van het ontwerp van het bestreden besluit de aanvraag is gewijzigd. De beroepsgrond mist derhalve feitelijke grondslag.

2.4. De stichting stelt dat de bekendmaking van het ontwerp van het bestreden besluit niet juist heeft plaatsgevonden.

De stichting heeft deze stelling niet onderbouwd. Niet is gebleken dat de terinzagelegging op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden. De beroepsgrond faalt.

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt b&w een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.6. De stichting voert aan dat niet duidelijk is welke stukken gewaarmerkt zijn en deel uitmaken van de vergunning.

2.6.1. De stukken die behoren bij de verleende vergunning zijn duidelijk gewaarmerkt. De beroepsgrond faalt.

2.7. De stichting voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met de Wet ammoniak en veehouderij. In dit verband voert zij aan dat op minder dan 250 meter van de inrichting een voor verzuring gevoelig gebied ligt.

2.7.1. Ingevolge artikel 6 van de Wet ammoniak en veehouderij wordt een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de aanvraag betrekking heeft op uitbreiding van het aantal dieren van één of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

2.7.2. Binnen een straal van 250 meter vanaf de tot de inrichting behorende dierenverblijven bevindt zich geen zeer kwetsbaar gebied. Gelet hierop en nu de artikelen 3, derde en vierde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij niet van toepassing zijn, staat deze wet niet aan vergunningverlening in de weg.

2.8. De stichting voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met directe ammoniakschade.

2.8.1. Het college heeft voor de beoordeling van de directe ammoniakschade het rapport Stallucht en Planten 1981 (hierna: het rapport) tot uitgangspunt genomen.

Uit het rapport blijkt dat directe schade door uitstoot van ammoniak zich in de praktijk kan voordoen bij intensieve kippen- en varkenshouderijen. Ter voorkoming van dergelijke schade wordt een afstand van minimaal 50 meter tussen stallen en meer gevoelige planten en bomen, zoals coniferen, en een afstand van minimaal 25 meer tot minder gevoelige planten en bomen aanbevolen. Daarbij wordt uitgegaan van de afstand van het gevoelige object tot de dichtstbijzijnde gevel van de dichtstbijzijnde stal. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 6 juni 2002 in zaakno. 200105275/1 kan uit de onstaansgeschiedenis van het rapport worden opgemaakt dat dit primair is opgesteld om de schade aan planten van teeltbedrijven als gevolg van ammoniakemissie van veehouderijen in de directe omgeving te bepalen.

In paragraaf 3.2.8 van de bij de aanvraag behorende Habitattoets Uitbreiding legkippen Paasloo is vermeld dat zich binnen een afstand van 50 meter vanaf de stal enkele soorten gevoelige planten voorkomen. Voorts is daarin vermeld dat het planten betreft die dienen ter aankleding van tuinen. Aangezien de in het rapport genoemde teeltvorm niet gelijk te stellen is met de relatief geringe aanplant van planten, heeft verweerder in dit geval het gekozen beschermingsniveau aanvaardbaar kunnen achten.

2.9. Appellante voert aan dat in strijd met de richtlijn 92/43/EEG (hierna: Habitatrichtlijn) en de richtlijn 79/409/EEG (hierna: de Vogelrichtlijn) onvoldoende rekening is gehouden met de effecten van de bij het bestreden besluit vergunde inrichting op het natuurgebied de Weerribben.

2.9.1. Het gebied de Weerribben is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang in de zin van de Habitatrichtlijn. Tevens is het gebied bij besluit van 29 oktober 1986 door de minister van Landbouw en Visserij aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4 van de Vogelrichtlijn.

2.9.2. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2007 in zaakno. 200701498/1 volgt dat in een geval als hier aan de orde de instandhoudingsdoelstellingen van zowel de speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn als die van het gebied van communautair belang in de zin van de Habitatrichtlijn moeten worden betrokken bij de vraag of een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 is vereist en zo ja, of die vergunning kan worden verleend. Gelet hierop is een rechtstreeks beroep op deze richtlijnen in zoverre in deze procedure over de verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer niet aan de orde.

De beroepsgrond faalt.

2.10. De stichting is beducht voor onaanvaardbare stankhinder.

2.10.1. Het college heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de richtlijn "Veehouderij en stankhinder" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de richtlijn) gehanteerd. Voor zover het de indeling in omgevingscategorieën betreft, heeft hij toepassing gegeven aan de brochure "Veehouderij en Hinderwet" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de brochure).

2.10.2. In het bestreden besluit is vermeld dat wordt voldaan aan de op grond van de richtlijn in samenhang met de brochure minimaal in acht te nemen afstand ter voorkoming van onaanvaardbare stankhinder. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Gelet hierop faalt de beroepsgrond.

2.11. De stichting is beducht voor onaanvaardbare cumulatie van stankhinder. In dit verband voert zij aan dat de in het bestreden besluit opgenomen berekening van cumulatieve stankhinder onjuist is.

2.11.1. Het college heeft bij de beoordeling van de cumulatieve stankhinder het rapport "Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij", Publicatiereeks Lucht, nr. 46 (hierna: het rapport) tot uitgangspunt genomen. De resultaten van de door het college uitgevoerde beoordeling zijn in het bestreden besluit vermeld. Hieruit blijkt dat aan de in het rapport opgenomen normen wordt voldaan. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze beoordeling onjuistheden bevat dan wel leemten in kennis vertoont. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor cumulatieve stankhinder niet behoeft te worden gevreesd.

2.12. De stichting stelt te vrezen voor onaanvaardbare geluidhinder. In dit verband voert zij aan dat niet wordt aangesloten bij de gebruikelijke streefwaarden. Volgens haar blijkt uit de aanvraag onvoldoende of aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Voorts voldoen volgens haar de rapporten niet aan de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Voorts voert de stichting aan dat de voorschriften 2.3 en 2.4 te ruim zijn en niet handhaafbaar. Wat betreft voorschrift 2.4 voert de stichting aan dat het 's nachts afvoeren van kippen niet kan worden aangemerkt als best beschikbare techniek.

2.12.1. Het college heeft bij de beoordeling van de geluidaspecten de Handreiking industrielawaai van oktober 1998 (hierna: de Handreiking) en de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (hierna: de handleiding) toegepast. Wat betreft de hoogte van de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau heeft het college aansluiting gezocht bij de in de Handreiking genoemde richtwaarden voor een landelijke omgeving. Voor dit type omgeving gelden richtwaarden van 40 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, nacht- en avondperiode.

De in voorschrift 2.1 opgenomen grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau komen met deze waarden overeen.

De in voorschrift 2.2 opgenomen grenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn lager dan wel gelijk aan de grenswaarden die in de Handreiking als maximaal aanvaard zijn aangemerkt.

De stichting heeft haar stelling dat voorschrift 2.3 te ruim is en leidt tot onaanvaardbare geluidhinder niet onderbouwd. Reeds hierom faalt deze beroepsgrond.

Wat betreft het incidenteel laden en lossen van kippen in de nachtperiode heeft het college paragraaf 5.3 van de Handreiking gehanteerd. Volgens deze paragraaf kan ontheffing worden verleend om maximaal twaalf maal per jaar incidentele bedrijfssituaties uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor representatieve bedrijfssituaties uit de vergunning. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het laden en lossen van kippen in de nachtperiode noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering. Daarbij heeft het college erop gewezen dat het vangen van kippen bij daglicht leidt tot ongewenste schade en dat het vangen in de nachtperiode aansluit bij het werkproces bij de slachterijen waarnaar de kippen worden afgevoerd. De stichting heeft niet onderbouwd waarom dit niet als voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare techniek kan worden aangemerkt.

In hetgeen de stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op de ontheffingsregeling in paragraaf 5.3 van de Handreiking, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ontheffing in voorschrift 2.4 toereikend is ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geluidhinder als gevolg van het laden en lossen van kippen.

De stichting heeft haar stellingen dat de gestelde geluidvoorschriften niet kunnen worden nageleefd en dat de akoestische rapporten niet voldoen aan de handleiding niet onderbouwd.

In hetgeen de stichting heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geluidhinder vanwege de inrichting

2.13. De stichting voert aan dat de grenswaarden uit het Besluit luchtkwaliteit niet in acht worden genomen.

2.13.1. Door Oranjewoud is onderzoek verricht naar de gevolgen van de inrichting voor de luchtkwaliteit. In dit onderzoek is vermeld dat aan de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 opgenomen grenswaarden wordt voldaan. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek onjuistheden bevat dan wel leemten in kennis vertoont. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het Besluit luchtkwaliteit 2005 niet aan vergunningverlening in de weg staat. De beroepsgrond faalt.

2.14. De stichting voert aan dat ten onrechte wordt gesteld dat niet op het oppervlaktewater wordt geloosd.

2.14.1. In het bestreden besluit wordt vermeld dat afvalwater wordt geloosd op gierkolken en op het openbaar riool. Voorts wordt daarin vermeld dat schoon hemelwater wordt geloosd op het oppervlaktewater. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat hetgeen aldus in het bestreden besluit is vermeld onjuist is.

2.15. Het beroep is ongegrond.

2.16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Taal

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

325.