Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2589

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200705272/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Zaanstad (hierna: de raad) bij besluit van 7 december 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Van Spoorbrug tot Sluis" (hierna: het bestemmingsplan).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2008/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705272/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Zaanstad (hierna: de raad) bij besluit van 7 december 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Van Spoorbrug tot Sluis" (hierna: het bestemmingsplan).

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij fax, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een nader stuk ingediend. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.J.M. Zebel-Vaudo, advocaat te Dordrecht, het college, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Aerts, advocaat te Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door drs. M. Visser, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plangebied betreft een gebied met functiemenging van wonen en (industriële) bedrijvigheid. Met het bestemmingsplan wordt beoogd een planologisch/juridisch kader te bieden voor het behouden en versterken van de woon- en werkfunctie, gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk conserverend van aard.

De gronden met de bestemming "B(1>)vf" aan de [locatie].

2.3. [appellante] betoogt dat goedkeuring had moeten worden onthouden aan de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding "B(1>)vf" aan de [locatie]. Hiertoe voert zij aan dat in strijd met het gemeentelijke beleid een maatbestemming is toegekend. Voorts is de aanduiding "(1>)" aan de gronden toegekend, terwijl deze aanduiding niet in de voorschriften van het bestemmingsplan voorkomt.

2.4. Aan de gronden van [appellante] aan de [locatie] is de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" toegekend met ter plaatse van de bedrijfsgebouwen onder meer de aanduiding "B(1>)vf". Ingevolge artikel 14 van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor Bedrijfsdoeleinden (B) bestemd voor:

a. bedrijven zoals genoemd in de Lijst van bedrijfstypen behorend tot ten hoogste de categorie zoals op de plankaart staat aangegeven; [...]

o. ter plaatse van de nadere aanduiding B(vf) tevens een verffabriek.

In het renvooi op de plankaart staat bij de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" tevens onder meer aangegeven:

"B(1>) max. cat. S.v.B.".

Verder is in het renvooi onder meer aangegeven:

".(1>) indien het maatgevend milieuaspect geluid is, is een categorie hoger eveneens toelaatbaar".

2.4.1 Anders dan [appellante] betoogt, is door het cijfer "1" en de letters "vf" in de aanduiding "B(1>)vf", gelezen in samenhang met artikel 14, eerste lid, onder a en onder o, van de planvoorschriften, voldoende duidelijk dat ter plaatse een verffabriek en bedrijven behorende tot ten hoogste categorie 1 van de Lijst van bedrijfstypen zijn toegestaan.

Aan de woorden "max. cat. S.v.B." die alleen op de plankaart zijn vermeld en die niet in de planvoorschriften zijn opgenomen, komt geen zelfstandige betekenis toe en deze woorden leiden derhalve niet tot een rechtsonzekere situatie.

De aanduiding ">" komt slechts voor in het renvooi. De Afdeling is echter van oordeel dat deze aanduiding redelijkerwijs niet tot misverstanden kan leiden, gelet op de zin "indien het maatgevend milieuaspect geluid is, is een categorie hoger eveneens toelaatbaar" op de plankaart, gelezen in samenhang met artikel 14, onder a, van de planvoorschriften.

2.5. Volgens de toelichting bij het bestemmingsplan zijn bedrijven die vallen in een hogere categorie dan categorie 2 door middel van een aparte aanduiding op de plankaart aangegeven. Het bedrijf van [appellante] is met de aanduiding "vf" als zodanig bestemd. Volgens het bestreden besluit heeft het college met deze maatbestemming ingestemd, omdat het bedrijf is gevestigd op tien meter afstand van woningen en een andere bedrijfscategorie (4.2) dan een verffabriek vanwege milieuproblemen niet mogelijk is. De raad heeft volgens het college terecht rekening gehouden met de historisch gegroeide situatie en met de belangen van de bevolking in de omgeving van het bedrijf. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk.

2.5.1. Volgens het bestreden besluit is één van de vier beleidspijlers van het in 1989 opgestarte Zaanoeverproject, het gemeentelijke beleid, waarop [appellante] doelt, het verbeteren van bedrijfsomstandigheden van het bestaande bedrijfsleven en het creëren en aantrekken van moderne, dienstverlenende bedrijvigheid en kantoren langs de Zaan ter verbetering van de economische positie van Zaanstad. Dit ziet derhalve niet op milieuzonering zoals deze in dit bestemmingsplan plaatsvindt en staat er derhalve niet aan in de weg dat verbeteringen en eventuele uitbreidingen alleen mogen plaatsvinden indien dit past binnen de milieuzonering volgens de VNG systematiek. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het gemeentelijke beleid geen belemmering vormt voor het toekennen van een maatbestemming aan het bedrijf.

Hoogteregeling

2.6. [appellante] betoogt voorts dat de hoogteaanduiding op het plandeel met de bestemming "B(1>)vf1" onjuist is.

2.7. Aan een gedeelte van het perceel [locatie] waar zich een gebouw bevindt met een hoogte van 2,50 meter is de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding "B(1>)vf1" toegekend. Ingevolge artikel 14, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften, mag de hoogte c.q. goot- of boeiboordhoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedragen dan aangegeven op de plankaart dan wel in artikel 23 "Hoogteaanduidingen". Op de plankaart is een tabel weergegeven met als bijschrift "Hoogteregeling van toepassing voor de bestemmingen tenzij anders op de kaart staat aangegeven".

2.8. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de hoogteregeling voor het aangevochten plandeel niet duidelijk is. Artikel 14, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften, verwijst naar de hoogte zoals aangegeven op de plankaart en daarmee naar de hoogteregeling op de plankaart. Uit artikel 14, in samenhang met de plankaart en het renvooi kan worden afgeleid dat de aanduiding "1" verwijst naar bouwklasse 1 als bedoeld in de tabel. Aldus is een maximale goothoogte van drie meter en een maximale hoogte van zes meter (bouwklasse 1) toelaatbaar. Gelet hierop is de bestaande hoogte van het desbetreffende gebouw als zodanig in het plan bestemd.

2.9. Ter zitting heeft [appellante] aangevoerd dat de goothoogte van het gebouw ingevolge de eerst door haar ter zitting overgelegde bouwvergunning van 16 december 1991 vier meter hoog mag zijn en dat derhalve de maximale goothoogte van drie meter ingevolge de hoogteregeling in het bestemmingsplan onvoldoende is. Nu [appellante] dit eerst ter zitting heeft aangevoerd, dient het met het oog op een goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellante] geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan van haar redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat zij dit eerder naar voren had gebracht.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd met betrekking tot de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding "B(1>)vf" geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.11. Voor zover [appellante] zich in beroep richt tegen de goedkeuring van de hoogteregeling zoals die geldt voor de rest van het plangebied, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond niet steunt op een bij de raad tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze en een bij het college tegen het vastgestelde plan ingebrachte bedenking.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college door de belanghebbende die tijdig tegen het ontwerpplan een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht en tegen het vastgestelde plan tijdig bedenkingen bij het college heeft ingebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht en niet tijdig bedenkingen heeft ingebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

De gronden met de bestemming "B(z)" aan de [locatie].

2.12. [appellante] betoogt voorts dat het bestemmingsplan ten onrechte niet de mogelijkheid biedt om de bestaande bedrijfsgebouwen uit te breiden. [appellante] betoogt verder dat drie bestaande bedrijfsgebouwen aan de [locatie] ten onrechte niet positief zijn bestemd.

2.13. Wat betreft de uitbreidingsmogelijkheid is uit de stukken en ter zitting gebleken dat het betoog van [appellante] feitelijke grondslag mist. Er is nog onbenutte ruimte binnen het bestemmingsvlak "B(1>)vf*5". Bovendien biedt de algemene vrijstellingsbevoegdheid ingevolge artikel 24, eerste lid, onder e, van de planvoorschriften, met inachtneming van de beperking van het tweede lid, enige uitbreidingsmogelijkheden. Gelet op de feitelijke situatie op en de omvang van het perceel, is verdere uitbreiding niet realiseerbaar op het perceel. Tenslotte heeft [appellante] ervan blijk gegeven geen concrete uitbreidingsplannen te hebben. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van redelijke uitbreidingsmogelijkheden ter verzekering van de continuïteit van de bedrijfsvoering.

2.14. Ter zitting is voorts komen vast te staan dat zich drie bedrijfsgebouwen bevinden op gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding "B(z)", waar ingevolge artikel 14, eerste lid, onder q, van de planvoorschriften geen gebouwen zijn toegestaan. In zijn schriftelijke uiteenzetting heeft het college van burgemeester en wethouders gesteld dat het de bedoeling was bij de vaststelling van het plan de bedrijfsgebouwen die niet op de plankaart stonden, alsnog op te nemen, maar dat dit ten onrechte niet is gebeurd. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het in zoverre ten onrechte goedkeuring aan het bestemmingsplan heeft verleend.

2.14.1. Nu het college zich wat betreft deze gebouwen op een ander standpunt stelt dan het in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat deze onderdelen betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2.14.2. De conclusie is dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd met betrekking tot de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding "B(z)" aan de [locatie] aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Uit het vorenstaande volgt dat in het bestemmingsplan ten onrechte geen regeling is opgenomen voor de drie bedrijfsgebouwen. Gelet hierop is er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan deze plandelen.

Artikel 22, tweede lid, onder a-d van de planvoorschriften.

2.15. [appellante] betoogt verder dat ingevolge artikel 22, tweede lid, onder a tot en met d, van de planvoorschriften ten onrechte een aanlegvergunning is voorgeschreven voor werken en werkzaamheden die minder diep gaan dan 50 centimeter.

2.15.1. Aan een gedeelte van de gronden van [appellante] is tevens de bestemming "Archeologische waardevol gebied" toegekend.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden tevens bestemd voor het herstel, het behoud en de ontwikkeling van de archeologische waarden.

Ingevolge het tweede lid, onder a tot en met d, van die bepaling is het verboden zonder of in afwijking van een aanlegvergunning op of in de als archeologisch waardevol gebieden bestemde gronden de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren [..]:

a. het ontgronden, afgraven en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;

b. het graven van watergangen en waterpartijen;

c. het aanleggen van drainage;

d. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verbandhoudende constructies, installaties of apparatuur.

Ingevolge het derde lid, onder a, van die bepaling geldt de aanlegvergunningplicht niet voor werken en werkzaamheden die het uitvoeren van het normale onderhoud of het normale agrarisch grondgebruik betreffen.

2.15.2 Ingevolge artikel 14 van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), voor zover zulks noodzakelijk is: "a. om te voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming; b. ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming als bedoeld onder a".

2.16. De Afdeling acht aannemelijk dat de werkzaamheden, bedoeld in artikel 22, tweede lid, onder a tot en met d, van de planvoorschriften voornamelijk dieper gaan dan 50 centimeter. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze werkzaamheden vergunningplichtig zijn, tenzij het normaal onderhoud betreft. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante] voorts heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat een aanlegvergunningvereiste voor de genoemde werken en werkzaamheden in het gebied met de differentiatie Archeologisch waardevol gebied niet kan bijdragen aan de bescherming van de aan de gronden gegeven bestemming en niet noodzakelijk is. Mede gelet op artikel 22, derde lid, onder a, van de planvoorschriften, is voorts niet aannemelijk dat het aanlegvergunningvereiste tot een onevenredige belemmering van de bedrijfsvoering zal leiden.

2.17. De conclusie is dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.18. Het college wordt op na te melden wijze tot vergoeding van proceskosten veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de hoogteregeling van andere gronden dan die zijn gelegen aan de [locatie];

II. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 12 juni 2007, kenmerk 2007-18340, voor zover het betreft de gronden met de bestemming "B(z)" aan de [locatie];

IV. onthoudt goedkeuring aan de onder III genoemd plandelen;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 12 juni 2007;

VI. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 693,72 (zegge: zeshonderd drieënnegentig euro en tweeënzeventig eurocent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 (zegge: zeshonderd vierenveertig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderd vijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Bosnjakovic

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

410-573.