Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2161

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
200801535/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2008:BC5704, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / uitlezen mobiele telefoon zonder wettelijke grondslag / opleggen en voortduren maatregel van bewaring rechtmatig

De omstandigheid dat het uitlezen van de mobiele telefoon van de vreemdeling zonder wettelijke grondslag zou hebben plaatsgevonden, brengt op zichzelf niet met zich dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. De mobiele telefoon is na het opleggen van de bewaring uitgelezen om gegevens van de vreemdeling te verkrijgen in het kader van haar uitzetting. Niet is gebleken dat het zicht op uitzetting afhankelijk was van de informatie, verkregen door het uitlezen van de mobiele telefoon, en zonder die informatie ontbrak. Deze handeling heeft daarom geen directe betekenis gehad voor het opleggen en voortduren van de maatregel. De rechtbank is dan ook ten onrechte tot het oordeel gekomen dat voortzetting van de maatregel van bewaring met ingang van 4 februari 2008 onrechtmatig is.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801535/1.

Datum uitspraak: 13 mei 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 08/4172 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 25 februari 2008 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2008 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 25 februari 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Justitie bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 maart 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De staatssecretaris klaagt in grief 2 dat de rechtbank ten onrechte de inbewaringstelling van de vreemdeling onrechtmatig heeft geacht, omdat, zonder dat daartoe een wettelijke grondslag bestond, de mobiele telefoon van de vreemdeling is uitgelezen om haar identiteit en nationaliteit te achterhalen. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank door aldus te overwegen niet onderkend dat deze eventuele onrechtmatigheid alleen van invloed kan zijn op de waardering van de hieruit voortvloeiende aanwijzingen omtrent de identiteit van de vreemdeling, en niet op de rechtmatigheid van de inbewaringstelling.

2.2. De omstandigheid dat het uitlezen van de mobiele telefoon van de vreemdeling zonder wettelijke grondslag zou hebben plaatsgevonden, brengt op zichzelf niet met zich dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. De mobiele telefoon is na het opleggen van de bewaring uitgelezen om gegevens van de vreemdeling te verkrijgen in het kader van haar uitzetting. Niet is gebleken dat het zicht op uitzetting afhankelijk was van de informatie, verkregen door het uitlezen van de mobiele telefoon, en zonder die informatie ontbrak. Deze handeling heeft daarom geen directe betekenis gehad voor het opleggen en voortduren van de maatregel. De rechtbank is dan ook ten onrechte tot het oordeel gekomen dat voortzetting van de maatregel van bewaring met ingang van 4 februari 2008 onrechtmatig is.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De grieven 1 en 3 behoeven geen bespreking meer. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling het volgende.

2.4. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin doet zich de situatie voor dat het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, onverbrekelijk samenhangen met hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.5. Gelet op het vorengaande zal de Afdeling het door de vreemdeling tegen het besluit van 31 januari 2008 ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 25 februari 2008 in zaak nr. 08/4172;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Helvoort

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2008

361.

Verzonden: 13 mei 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak