Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2140

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200706885/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling te verlenen voor het uitbreiden van een buxuskwekerij met containerkweek op de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706885/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06-6699 van de rechtbank Haarlem van 3 september 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling te verlenen voor het uitbreiden van een buxuskwekerij met containerkweek op de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 3 juli 2006 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 september 2007, verzonden op 6 september 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 3 juli 2006 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 oktober 2007.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 29 november 2007 heeft het college het door [wederpartij] tegen het besluit van 13 oktober 2005 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dat besluit herroepen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. F. Brouwer, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. S. Hartog, advocaat te Alkmaar, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Saendelft" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de locatie de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarden".

Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijfsvoering met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en terreinen.

Ingevolge artikel 1, wordt in deze voorschriften verstaan onder grondgebonden agrarische bedrijven: agrarische bedrijven waarvan de exploitatie geheel of grotendeels gebonden is aan ter plaatse of in de nabijheid aanwezige open gronden.

2.2. Het college betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte de door [wederpartij] overgelegde deskundigenberichten van Arvalis Adviseurs en DLV Plant (hierna: DLV) van 5 januari 2007 in het geding heeft toegelaten.

Niet in geschil is dat [wederpartij] de deskundigenberichten op 5 januari 2007 en derhalve met overschrijding van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), genoemde termijn van tien dagen voor de zitting van de rechtbank van 11 januari 2007 aan de rechtbank heeft gezonden. Artikel 8:58 van de Awb geeft de rechtbank een zekere vrijheid in haar beoordeling of binnen tien dagen voor de zitting door een partij ingezonden stukken bij de beoordeling van het geding zullen worden betrokken, maar zij zal daarbij aan het procesbelang van de andere partij zwaarwegende betekenis dienen te hechten. Om het college in de gelegenheid te stellen op de ingebrachte stukken te reageren heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:64 van de Awb vier weken geschorst. Het college heeft bij brief van 30 januari 2007 op de stukken gereageerd. Voorts heeft de rechtbank met instemming van partijen bepaald dat een hernieuwd onderzoek ter zitting achterwege kan blijven. Onder deze omstandigheden is er geen grond voor het oordeel dat de rechtbank door voormelde stukken in het geding te betrekken in strijd met de beginselen van een goede procesorde heeft gehandeld.

2.3. Voorts betoogt het college dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de containerteelt zoals die door [wederpartij] zal worden uitgevoerd in overeenstemming met het bestemmingsplan is. Daartoe voert het college aan dat de rechtbank de ter plaatse voorziene containerteelt ten onrechte als een grondgebonden activiteit heeft aangemerkt. Voorts is de rechtbank volgens het college ten onrechte uitgegaan van de feitelijke teeltactiviteiten en niet van de aanvraag zoals door [wederpartij] is ingediend.

2.3.1. Bij brief van 5 april 2005 heeft [wederpartij] het college verzocht toestemming te verlenen voor het uitbreiden van zijn kwekerij-activiteiten met zogenaamde containerkweek op het achterste gedeelte van zijn perceel. Daarbij heeft hij aangegeven dat containerkweek betreft het kweken van (o.a. heide- en buxus)planten in een (plastic) pot, die op een op het perceel aangebracht doek geplaatst worden. Het betoog dat de rechtbank ten onrechte niet is uitgegaan van de aanvraag van [wederpartij], zoals deze in de bezwaarfase nader is toegelicht en bijgesteld, heeft het college terecht naar voren gebracht. De rechtbank had deze aanvraag als uitgangspunt dienen te nemen. Gelet op de bij de aanvraag gegeven omschrijving van de beoogde containerteelt is daarbij geen sprake van grondgebonden agrarische activiteit als bedoeld in de in artikel 1 van de planvoorschriften opgenomen omschrijving van het begrip grondgebonden agrarisch bedrijf. Bij de bedoelde containerteelt ontbreekt een directe verbondenheid van de gewassen met de aarde. Dat, zoals in het rapport van DLV is gesteld, in dit geval contact tussen de wortels van de planten in de containers en de grond door het anti-worteldoek heen mogelijk is, maakt dat niet anders, nu dat contact bij deze vorm van teelt niet van essentieel belang kan worden geacht. Tevens wordt in aanmerking genomen dat in de door [wederpartij] in beroep overgelegde rapporten niet zozeer de containerteelt op zichzelf grondgebonden wordt geacht, doch die gebondenheid aan de overige in het bedrijf plaatsvindende activiteiten wordt gerelateerd.

Niet in geschil is dat de bestaande kwekerijactiviteiten van [wederpartij] voor zover deze plaatsvinden door middel van volle grond teelt in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan. De thans in geding zijnde containerteelt gaat onderdeel uitmaken van de bedrijfsvoering van [wederpartij]. [wederpartij] heeft aangegeven dat deze uitbreiding gewenst is vanwege de continuïteit van de bedrijfsvoering door het gehele jaar. Daarbij heeft hij gesteld dat een gedeelte van de kwekerijactiviteiten zal gaan plaatsvinden met toepassing van containerteelt, doch dat de teelt grotendeels in volle grond zal blijven plaatsvinden. Het college heeft bij het besluit van 3 juli 2006 uitsluitend een standpunt ingenomen over de toelaatbaarheid van containerteelt op het perceel waarvoor dit is aangevraagd en de overige op dat moment tot het bedrijf behorende percelen buiten beschouwing gelaten. Op grond van de planvoorschriften is evenwel niet het gebruik van ieder perceel op zichzelf bezien relevant, doch dient als uitgangspunt te worden genomen de totale bedrijfsvoering. Het college heeft bij de besluitvorming dan ook een onjuiste uitleg gegegeven van het bestemmingsplan, nu op grond van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 1 van de planvoorschriften, dient te worden beoordeeld of sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf, waarbij bepalend is of de exploitatie daarvan grotendeels gebonden kan worden geacht aan ter plaatse of in de nabijheid aanwezige open gronden. Gelet hierop is het betoog van het college over de grondgebondenheid terecht voorgedragen, maar kan het niet tot het daarmee beoogde resultaat leiden. De rechtbank heeft het besluit van 3 juli 2006 terecht vernietigd, zij het op onjuiste gronden.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.5. Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 29 november 2007 een nieuw besluit op het door [wederpartij] tegen het besluit van 13 oktober 2005 gemaakte bezwaar genomen. Voor de motivering van dat nieuwe besluit heeft het college verwezen naar de uitspraak van de rechtbank. Nu de gronden waarop die uitspraak rust ondeugdelijk zijn bevonden, komt het besluit van 29 november 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit op het door [wederpartij] tegen het besluit van 13 oktober 2005 gemaakte bezwaar te nemen, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.3.1. is overwogen. Daarbij dient het college op basis van de door [wederpartij] gedane aanvraag, zoals deze in de bezwaarfase nader is toegelicht en bijgesteld, vast te stellen of voldaan is aan artikel 12 van de planvoorschriften, door te beoordelen of sprake is van een agrarisch bedrijf waarvan de exploitatie grotendeels gebonden is aan ter plaatse of in de nabijheid aanwezige open gronden, zoals bepaald in artikel 1 van de planvoorschriften. Daarbij dient het college uit te gaan van alle percelen van [wederpartij] die op dat moment onderdeel van zijn bedrijfsvoering uitmaken en binnen het bestemmingsplan zijn gelegen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad van 29 november 2007 met kenmerk AWB/2005/1154 H. BEROEP Z/2007/77418;

III. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Zaanstad aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. bepaalt dat van de gemeente Zaanstad een griffierecht van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Wijers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008

444