Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2129

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200702006/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) een vergunning verleend aan het waterschap Vallei en Eem (hierna: het waterschap) voor het ontgronden van verschillende percelen in de gemeente Leusden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702006/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) een vergunning verleend aan het waterschap Vallei en Eem (hierna: het waterschap) voor het ontgronden van verschillende percelen in de gemeente Leusden.

Tegen dit besluit heeft [appellante] (hierna: de maatschap) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 maart 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het waterschap heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2008, waar de maatschap, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [maat B], en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. K.M. Betten, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord het college van dijkgraaf en heemraden van waterschap Vallei en Eem (hierna: het college van dijkgraaf en heemraden), vertegenwoordigd door ir. H.J. Nobbe, ambtenaar in dienst van het waterschap, en ir. S. Idema, adviseur, werkzaam bij bureau Ruimtewerk te Zwolle.

2. Overwegingen

2.1. Blijkens het bestreden besluit heeft de ontgronding betrekking op percelen binnen het gebied genaamd De Schammer, dat is gelegen tussen de A28 en de Horsterweg te Leusden, en heeft zij tot doel het ontwikkelen van regionale recreatieve voorzieningen in combinatie met het realiseren van ruimte voor waterberging en versterking van de natuur.

2.2. De maatschap betoogt dat de ontgrondingsvergunning ten onrechte is verleend, omdat geen sprake is van een onherroepelijk bestemmingsplan dat de ontgronding toelaat.

2.2.1. Ingevolge artikel 10, achtste lid, van de Ontgrondingenwet, voor zover thans van belang, wordt een vergunning niet verleend indien de beoogde ontgronding in strijd zou zijn met een bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan of een geldend voorbereidingsbesluit ter zake, tenzij de raad van de betrokken gemeente heeft meegedeeld planologische medewerking te zullen verlenen. Deze bepaling verzet zich er niet tegen dat een ontgrondingsvergunning wordt verleend zonder dat een daaraan ten grondslag liggend bestemmingsplan onherroepelijk is. Nu niet in geschil is dat de ontgronding waarvoor de vergunning is verleend in overeenstemming is met het door de raad van de gemeente Leusden bij besluit van 15 juni 2006 vastgestelde bestemmingsplan "De Schammer 2006", zoals door het college bij besluit van 16 januari 2007 goedgekeurd, faalt het betoog van de maatschap.

2.3. De maatschap betoogt voorts dat de ontgrondingsvergunning ten onrechte betrekking heeft op de gronden die zij in gebruik heeft en die niet in eigendom zijn verworven door het waterschap.

2.3.1. Bij besluit van 16 december 2006 heeft de raad van de gemeente Leusden onder meer besloten tot onteigening van de door de maatschap bedoelde gronden. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college de ontgrondingsvergunning niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen omdat over de betrokken gronden niet beschikt zou kunnen worden en de ontgronding daarom niet uitvoerbaar zou zijn. Overigens is voor het verlenen van een ontgrondingsvergunning niet vereist dat de aanvrager eigenaar is van de te ontgronden percelen.

Het betoog faalt.

2.4. De maatschap betoogt dat de ontgronding geen toegevoegde waarde heeft voor de waterbergende functie van het gebied en voert aan dat door de voorziene ontgronding kwalitatief goede landbouwgrond zal verdwijnen en dat geen aandacht is besteed aan een kleinschaliger ontgronding, die minder verlies van landbouwgrond tot gevolg heeft.

2.4.1. Het college heeft uiteengezet dat het betrokken gebied reeds een waterbergende functie heeft en dat deze functie ook in de toekomst onveranderd blijft. De ruimtelijke afweging van de betrokken belangen heeft plaatsgevonden in het kader van de totstandkoming van het bestemmingsplan "De Schammer 2006", waarbij aan het algemene belang dat is gemoeid met de realisering van regionale recreatieve voorzieningen en versterking van de natuur doorslaggevend gewicht is gehecht. Naar aanleiding van de onderhavige aanvraag om een ontgrondingsvergunning heeft het college de belangen van de grondeigenaren meegewogen bij de besluitvorming en is het tot het oordeel gekomen dat het algemene belang bij realisering van het natuur- en recreatiegebied De Schammer zwaarder weegt dan het belang van de maatschap.

2.4.2. Bij het besluit omtrent verlening van een ontgrondingsvergunning staat de aanvraag om vergunning centraal, niet eventuele alternatieven voor deze aanvraag. Het college is gehouden op basis van de aanvraag, zoals deze bij hem is ingediend, te beoordelen of de vergunning na afweging van alle betrokken belangen kan worden verleend en welke voorschriften daaraan moeten worden verbonden. Ter beoordeling staat dan ook slechts de vraag of het college de vergunning, zoals aangevraagd, na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

De ontgronding vindt plaats ten behoeve van de inrichting van het voorziene natuur- en recreatiegebied met waterpartijen. Gelet op het belang van de realisering van de waterpartijen voor de inrichting van het natuur- en recreatiegebied heeft het college bij zijn belangenafweging in redelijkheid kunnen besluiten geen doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de omstandigheid dat de ontgronding ertoe leidt dat een deel van de bij de maatschap in gebruik zijnde gronden ongeschikt wordt voor agrarisch gebruik.

2.5. De maatschap voert voorts aan dat schade zal ontstaan aan het vee op de gronden die de maatschap in gebruik heeft en stelt dat de toegevoegde waarde van de ontgronding voor de weidevogelpopulatie in het gebied geen aandacht heeft gehad.

2.5.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat de door de maatschap gestelde schade zich zal voordoen en heeft er voorts op gewezen dat de afweging om de agrarische bestemming te wijzigen in de bestemmingen "Extensieve dagrecreatie en natuurgebied" en "Natuurgebied" met de dubbelbestemming "Waterberging" heeft plaatsgevonden in het kader van de procedure voor het bestemmingsplan "De Schammer 2006".

2.5.2. Naar is gebleken, doelt de maatschap met haar betoog dat de vergunning niet had mogen worden verleend vanwege de volgens haar te verwachten schade aan het vee op schade als gevolg van bezoekers van het voorziene natuurgebied. Deze schade heeft evenwel geen betrekking op de ontgronding zelf, maar op het gebruik dat van de percelen zal worden gemaakt na afloop van de ontgronding. Dit is ook het geval met hetgeen is aangevoerd omtrent de toegevoegde waarde van de ontgronding voor het gebruik dat weidevogels van het gebied maken.

Nu de wijze waarop de desbetreffende percelen kunnen worden gebruikt, niet wordt geregeld in een ontgrondingsvergunning maar in een bestemmingsplan, gaat het hier om planologische bezwaren, waarin het college geen aanleiding behoefde te zien om de gevraagde vergunning te weigeren.

Het betoog faalt.

2.6. De maatschap vreest ten slotte schade als gevolg van de ontgronding door uitdroging van de grond en een toename van het onkruid en betoogt dat het college ten onrechte hierop niet is ingegaan.

2.6.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontgronding pas kan worden gerealiseerd nadat de gronden zijn aangekocht. Nadat de te ontgronden percelen zijn ingericht als natuur- en recreatiegebied zal geen sprake zijn van schade waarvoor de maatschap vreest, omdat de agrarische functie van de gronden dan is komen te vervallen, aldus het college. Voorts zijn er volgens het college veel recent ingerichte natuurgebieden, die grenzen aan landbouwgronden, waar de door de maatschap gevreesde schade zich niet voordoet en heeft de maatschap niet aannemelijk gemaakt dat schade zal ontstaan. Volgens het college waarborgen de voorschriften bij de ontgrondingsvergunning dat gedurende de uitvoering van de ontgronding geen schade ontstaat in de omgeving van de te ontgronden percelen.

2.6.2. De voorschriften voorzien in de plicht om de aan het te ontgronden terrein gelegen watergangen vrij te houden van grond en bagger en het ontgronde terrein altijd vrij te houden van afvalstoffen en, indien nodig, van ongewenste begroeiing.

Volgens het rapport "Effect van De Schammer: berekening van verandering in grondwaterstanden" (HKV, september 2005) treedt in het oosten van het projectgebied, waar de door de maatschap gebruikte gronden liggen, een geringe verandering van de gemiddeld hoogste grondwaterstand op, met een verlaging van 1 à 2 centimeter. Ter zitting heeft het college van dijkgraaf en heemraden dit toegelicht en het standpunt ingenomen dat een dergelijke geringe verlaging te verwaarlozen is. De maatschap heeft dit niet gemotiveerd weersproken.

De maatschap heeft niet aannemelijk gemaakt dat uitvoering van de voorziene ontgronding, ondanks de ter voorkoming van schade in de ontgrondingsvergunning opgenomen voorschriften en de beperkte invloed van de ontgronding op de grondwaterstand bij de gronden van de maatschap, zal leiden tot zodanige schade dat het college de gevraagde vergunning niet had mogen verlenen.

Het betoog faalt.

2.7. De conclusie is dat hetgeen de maatschap heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college bij afweging van alle betrokken belangen de ontgrondingsvergunning niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. H.P.J.A.M. Hennekens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Broodman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008

204-528.