Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2127

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200708901/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) geweigerd de gegevens inzake de huwelijksontbinding van [appellant] en [vrouw] op te nemen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 299 met annotatie van L.J.A. Damen
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2008/4848
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708901/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/965 van de rechtbank Utrecht van 7 november 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) geweigerd de gegevens inzake de huwelijksontbinding van [appellant] en [vrouw] op te nemen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Utrecht.

Bij besluit van 2 maart 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 november 2007, verzonden op 12 november 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2008, waar niemand is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 83, aanhef en onder b, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Wet GBA) wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om een gegeven over de burgerlijke staat niet op te nemen, dan wel een geschrift daarover dat als akte is aangeboden niet als zodanig aan te merken, gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wet GBA worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

(…)

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

(…).

Ingevolge artikel 37, tweede lid, van de Wet GBA worden aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 36, derde lid, geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

Ingevolge artikel 3 van de Wet conflictenrecht inzake ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed (hierna: Wet conflictenrecht) wordt een ontbinding van het huwelijk buiten het Koninkrijk uitsluitend door een eenzijdige verklaring van de man tot stand gekomen niet erkend, tenzij

a. de ontbinding van het huwelijk in deze vorm overeenstemt met de personele wet van de man;

b. de ontbinding ter plaatse waar zij geschiedde rechtsgevolg heeft; en

c. duidelijk blijkt dat de vrouw uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding van het huwelijk heeft ingestemd of zich daarbij heeft neergelegd.

2.2. Aan de in bezwaar gehandhaafde weigering om de huwelijksontbinding in de GBA op te nemen heeft het college ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan artikel 3, aanhef en onder c, van de Wet conflictenrecht omdat niet blijkt dat de vrouw met haar verstoting heeft ingestemd. Om dat te beoordelen heeft het college zich gebaseerd op criteria voor de (stilzwijgende) instemming van de verstoting zoals vermeld in de Handleiding voor de toepassing van de rijkswet op het Nederlanderschap van de minister van Justitie. Het dient daarbij om een handelen van de vrouw te gaan, waaruit de instemming kan worden afgeleid, bijvoorbeeld het hertrouwd zijn met een ander.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de ontbinding van het huwelijk op grond van artikel 3 van de Wet conflictenrecht niet kan worden erkend omdat uit een overgelegde verstotingsakte en een akte waarin [appellant] verklaart dat de verstoting definitief is niet blijkt, dat [vrouw] met de verstoting heeft ingestemd. Uit het feit dat daarover in die akten niets is opgenomen volgt niet dat zij daarmee stilzwijgend heeft ingestemd. Evenmin blijkt uit andere feitelijke omstandigheden dat zij daarmee heeft ingestemd.

2.4. [appellant] klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de ontbinding van het huwelijk met [vrouw] niet in Nederland kan worden erkend. In dat verband betoogt hij dat sprake is van een stilzwijgende instemming omdat uit de akten niet blijkt dat [vrouw] daar niet mee heeft ingestemd. Een instemmingsverklaring is niet vereist, omdat in dat geval geen sprake is van een stilzwijgende instemming, aldus [appellant].

2.5. Het hoger beroep faalt. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 11 november 1999 in zaak nr. H01.98.2024, AB 2000, 3, is het aan degene die verzoekt de ontbinding van zijn huwelijk in de GBA op te nemen om tegenover het college aannemelijk te maken, dat zijn huwelijk rechtsgeldig is ontbonden. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat uit de door [appellant] overgelegde akten niet blijkt dat [vrouw] stilzwijgend met haar verstoting heeft ingestemd. Feiten of omstandigheden, zoals bijvoorbeeld opgenomen in de Handleiding voor de toepassing van de rijkswet op het Nederlanderschap van de minister van Justitie met betrekking tot de beoordeling van verstotingsakten, waaruit de instemming kan worden afgeleid, zijn evenmin gesteld of gebleken.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Graat

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008

307.