Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2125

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200707703/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (hierna: de raad) een aanvraag van [appellant] om afgifte van een toevoeging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707703/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/3554 van de rechtbank Amsterdam van 1 oktober 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (hierna: de raad) een aanvraag van [appellant] om afgifte van een toevoeging afgewezen.

Bij besluit van 12 juni 2006 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 oktober 2007, verzonden op 5 oktober 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 november 2007, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2008, waar [appellant], in persoon, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand, ten tijde van belang, wordt rechtsbijstand overeenkomstig de bepalingen van deze wet verleend aan hen wier inkomen per maand € 2.135,00 of minder bedraagt, indien zij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, worden bij de vaststelling van het inkomen en vermogen van de rechtzoekende, behoudens in het geval van onderling tegenstrijdige belangen, mede in aanmerking genomen het inkomen en vermogen van de persoon van verschillend of gelijk geslacht met wie de rechtzoekende duurzaam een gezamenlijke huishouding voert, tenzij tussen deze en de rechtzoekende een bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand wordt de draagkracht in het inkomen op maandbasis vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, wordt bij de vaststelling van het inkomen ten aanzien van de periodiek genoten inkomsten uitgegaan van de hoogte van deze inkomsten over een of meer van de gebruikelijke betalingsperioden, voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag om de verlening van rechtsbijstand is ingediend.

Ingevolge het derde lid wordt bij natuurlijke personen die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefenen, voor de vaststelling van het inkomen uitgegaan van het inkomen in het jaar voorafgaand aan het jaar van de aanvraag.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand kan het vastgestelde maandinkomen worden verminderd voor bijzondere uitgaven die noodzakelijk ten laste komen van de rechtzoekende en die hij gedwongen is te doen ten gevolge van persoonlijke omstandigheden hemzelf of de leden van zijn huishouding betreffende, indien door deze uitgaven zijn draagkracht in het inkomen duurzaam aanmerkelijk wordt verminderd.

2.2. In het in bezwaar gehandhaafde besluit is de aanvraag om een toevoeging afgewezen omdat de draagkracht van [appellant] de bij de wet vastgestelde grenzen overschrijdt.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het door hem feitelijk genoten inkomen lager is dan de raad heeft vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat, alhoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, [appellant] de jaarstukken over 2004 niet heeft overgelegd en evenmin de door de bezwarencommissie verzochte aangifte inkomstenbelasting 2004.

2.4. [appellant] betoogt dat hij in 2004 geen partner had en dat het inkomen van zijn huidige partner ten onrechte bij zijn inkomen is opgeteld. Bovendien behoeft met het inkomen van zijn partner geen rekening te worden gehouden, omdat geen sprake is van een geregistreerd partnerschap, aldus [appellant].

2.5. Het betoog kan niet slagen. Op 20 september 2005 heeft [appellant] een toevoeging aangevraagd. Uit de bij de aanvraag om toevoeging gevoegde verklaring omtrent inkomen en vermogen volgt dat [appellant] op dat moment een gezamenlijke huishouding voert met een partner. Het inkomen van die partner is terecht bij het inkomen van [appellant] in aanmerking genomen omdat daartoe ingevolge artikel 34 van de Wet op de rechtsbijstand het voeren van een gemeenschappelijke huishouding ten tijde van de aanvraag voldoende is. Een geregistreerd partnerschap is ingevolge dat artikel niet vereist.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat uit zijn in hoger beroep overgelegde aanslag inkomstenbelasting 2004 blijkt dat hij in 2004 nagenoeg geen inkomen had en derhalve voor toevoeging in aanmerking had moeten komen.

2.7. De in hoger beroep overgelegde aanslag 2004 is gedagtekend op 8 november 2006. De rechtbank heeft het beroep op 13 juli 2007 ter zitting behandeld. [appellant] had derhalve al de beschikking over deze aanslag ten tijde van het beroep bij de rechtbank. Nu hij heeft nagelaten deze bij de rechtbank te overleggen kan deze thans niet in de beoordeling worden betrokken.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn feitelijk genoten inkomen lager is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [appellant] in de gelegenheid is gesteld de jaarstukken over 2004 over te leggen en dat hem is verzocht de aangifte inkomstenbelasting 2004 over te leggen, maar dat hij dat heeft nagelaten.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Graat

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008

307.