Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2121

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200706306/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2007:BB0436, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (hierna: het college) het door de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Hornbach Holding B.V. en Hornbach Bouwmarkt (Nederland) B.V. (hierna: Hornbach Holding en Hornbach Bouwmarkt) gemaakte bezwaar tegen het besluit van 6 april 2005 tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Praxis Vastgoed B.V. (hierna: Praxis) voor de bouw van een bouwmarkt op het perceel aan de Hoofdweg 46 te Capelle aan den IJssel (hierna: het perceel) opnieuw ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2008, 90 met annotatie van S. Hillegers
Milieurecht Totaal 2008/5520
ABkort 2008/203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706306/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Praxis Vastgoed B.V., gevestigd te Diemen,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/3225 van de rechtbank Rotterdam van 24 juli 2007 in het geding tussen:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

Hornbach Holding B.V. en Hornbach Bouwmarkt (Nederland) B.V.

en

het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (hierna: het college) het door de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Hornbach Holding B.V. en Hornbach Bouwmarkt (Nederland) B.V. (hierna: Hornbach Holding en Hornbach Bouwmarkt) gemaakte bezwaar tegen het besluit van 6 april 2005 tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Praxis Vastgoed B.V. (hierna: Praxis) voor de bouw van een bouwmarkt op het perceel aan de Hoofdweg 46 te Capelle aan den IJssel (hierna: het perceel) opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juli 2007, verzonden op 25 juli 2007, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door Hornbach Holding en Hornbach Bouwmarkt ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 4 juli 2006 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Praxis bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2008, waar Praxis, vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Fransen, advocaat te Amsterdam, vergezeld door J. Buitenhuis en M. van der Meulen, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Fransen voornoemd, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de verplaatsing van de Praxis-bouwmarkt in Capelle aan den IJssel van de Lylantse Baan naar de Hoofdweg. Het winkeloppervlak wordt uitgebreid van 1.928 m² naar 5.900 m² bruto vloeroppervlakte.

2.2. Bij besluit van 6 april 2005 heeft het college aan Praxis vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een bouwmarkt op het perceel. Bij besluit van 30 juni 2005 heeft het college het daartegen door Hornbach Holding en Hornbach Bouwmarkt gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 oktober 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het daartegen door Hornbach Holding en Hornbach Bouwmarkt ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 april 2006, in zaak nr. 200509482/1, heeft de Afdeling het daartegen door Hornbach Holding en Hornbach Bouwmarkt ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd, het door Hornbach Holding en Hornbach Bouwmarkt ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van het college van 30 juni 2005 vernietigd.

2.3. De rechtbank heeft het besluit van 4 juli 2006 vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Naar het oordeel van de rechtbank had het college bij het onderzoek naar de luchtkwaliteit gebruik moeten maken van een rekenmodel dat de rekenresultaten afrondt op ten minste één decimaal achter de komma en heeft het college ten onrechte 75 vervoersbewegingen per etmaal niet in het luchtkwaliteitsonderzoek betrokken.

2.4. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de gevolgen van het bouwplan voor de luchtkwaliteit wat betreft stikstofdioxide (NO2) in de weg staan aan verlening van de bouwvergunning.

2.5. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005), zoals dit luidde ten tijde van het besluit van 4 juli 2006, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van hun bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van de wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolstofmonoxide en benzeen in acht.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, wordt hier in ieder geval de bevoegdheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening onder begrepen.

Ingevolge het derde lid kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien:

a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheid per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;

b. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, gelden voor NO2 de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 200 microgram per m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en

b. 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

2.6. Niet in geschil is dat de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van het Blk 2005 niet wordt overschreden. Verder staat vast dat per 1 januari 2010 een overschrijding plaatsvindt van de jaargemiddelde concentratie van 40 microgram per m³. Hieruit volgt dat deze grenswaarde bij het verlenen van vrijstelling niet overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 in acht wordt of kan worden genomen. Het verlenen van vrijstelling kan dan ook slechts in overeenstemming met het Blk 2005 zijn indien één van de in artikel 7, derde lid, opgenomen uitzonderingen op het eerste lid zich voordoet. Er is geen toepassing gegeven aan de saldomethode als bedoeld in het derde lid, onder b, zodat beoordeling van deze methode achterwege kan blijven. Thans staat uitsluitend ter beoordeling of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de uitzondering van het derde lid, onder a, zich voordoet, doordat de concentratie van NO2 verbetert of tenminste gelijk blijft.

2.7. Praxis betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorgenomen ontwikkeling niet tot een aantoonbare verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. Daartoe voert zij aan dat het Adviesbureau voor Ruimtelijk Beleid, Ontwikkeling en Inrichting (hierna: RBOI) in haar onderzoek van 25 april 2006 terecht gebruik heeft gemaakt van het rekenmodel CAR II, versie 5.0., en dat van de juiste invoergegevens gebruik is gemaakt.

2.7.1. Dit betoog slaagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 november 2007 in zaak nr. 200607283/1) zijn modellen uit de aard van de zaak altijd een abstractie van de werkelijkheid. De validiteit van een model wordt eerst aangetast wanneer de berekeningen op basis van een model te zeer afwijken van de werkelijkheid. Niet aannemelijk is dat die situatie zich in dit geval voordoet. Weliswaar bestonden er ten tijde van het besluit van 4 juli 2006 nauwkeuriger rekenmodellen, maar het rekenmodel CAR II wordt in het algemeen beschouwd als een model dat voor wegen uitgaat van een worst-case scenario. Het college heeft dan ook gebruik kunnen maken van het rekenmodel CAR II, versie 5.0.. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

RBOI heeft in haar onderzoek van 25 april 2006 gerekend met een toename van 450 extra motorvoertuigen per etmaal als gevolg van het bouwplan, terwijl uit dit onderzoek blijkt dat sprake zal zijn van een toename van 525 motorvoertuigen per etmaal als gevolg van het bouwplan. Naar aanleiding van het voornemen van het college om de Hoofdweg te verbreden, heeft het college aan Kema Nederland B.V. opdracht gegeven een onderzoek uit te voeren naar de gevolgen van deze verbreding voor de luchtkwaliteit. Uit het rapport "Luchtkwaliteitsonderzoek Hoofdweg Capelle aan den IJssel" van Kema Nederland B.V. van 13 april 2006 blijkt dat de luchtkwaliteit niet negatief wordt beïnvloed door de verbreding van een enkele rijbaan per richting naar twee rijbanen per richting, ondanks de toename van de verkeersintensiteit op de Hoofdweg. Tegen de achtergrond van deze conclusie ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de 75 motorvoertuigen per etmaal, die in het onderzoek van 25 april 2006 niet zijn meegenomen, te verwaarlozen zijn. Dit betekent dat het college de bijdrage van de concentratie van NO2 als gevolg van het bouwplan juist heeft onderzocht. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover aangevallen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van Hornbach Holding en Hornbach Bouwmarkt alsnog ongegrond verklaren. Dit betekent dat het besluit van 19 december 2007, waarbij het college opnieuw heeft beslist op het door hen gemaakte bezwaar tegen het besluit van 6 april 2005, en dat, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in verband met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht wordt onderwerp te zijn van dit geding, eveneens voor vernietiging in aanmerking komt.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. In deze situatie is er geen aanleiding te bepalen dat het door Praxis in hoger beroep betaalde griffierecht door de gemeente Capelle aan den IJssel wordt vergoed. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de

Wet op de Raad van State brengt met zich dat - naar analogie van artikel 41, vijfde lid - het griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan haar wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juli 2007 in zaak nr. 06/3225, voor zover aangevallen;

III. verklaart het door Hornbach Holding en Hornbach Bouwmarkt bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel van 19 december 2007, kenmerk M43/7833;

V. bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State aan Praxis het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Steinebach-de Wit

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008

328-531.