Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2120

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200705992/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek (hierna: het college) [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een kap op de bijkeuken/garage van een woning aan het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705992/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2700 van de rechtbank Zutphen van 18 juli 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek (hierna: het college) [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een kap op de bijkeuken/garage van een woning aan het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 november 2006 heeft het college het door [appellante] (hierna: [appellante]) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juli 2007, verzonden op 19 juli 2007, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2007.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [vergunninghouder], wonende te [woonplaats], een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2008, waar [appellante], bijgestaan door mr. R. van Eck, advocaat te Enschede, en het college, vertegenwoordigd door E.T.E. Kemperman en E.B. Kleinrensink, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een kap met een hoogte van 4,20 m grotendeels op een bestaande, tegen de zij- en achtergevel van de woning op het perceel (hierna: de woning) aangebouwde garage onderscheidenlijk bijkeuken. De kap steekt aan de voorkant uit over de garage. De garage staat tot op de erfafscheiding met het zijperceel waar [appellante] woont. Op de bij de aanvraag ingediende bouwtekening is de ruimte onder het dak, waarvan de bruto vloeroppervlak 31 m² groot is, omschreven als hobbyruimte/berging. Deze ruimte zal slechts toegankelijk zijn via de eerste etage van de woning.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Varsseveld XXIV" (hierna: het bestemmingsplan) rusten op het perceel de bestemmingen "Eengezinshuizen" en "Erven". Ter plaatse van het perceel is bebouwingscategorie IV aangegeven.

Ingevolge artikel 1, onderdeel r, van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften verstaan onder uitbouw, een aan een eengezinshuis aangebouwd gebouw, dat als een uitbreiding van het eengezinshuis te beschouwen is.

Ingevolge artikel 1, onderdeel v, wordt in deze voorschriften verstaan onder bijgebouw, een niet voor bewoning bestemd vrijstaand of aangebouwd gebouw, dat een gebruikseenheid vormt met en dienstbaar is aan een eengezinshuis, zoals een garage, huishoudelijke bergruimte of hobbyruimte.

Ingevolge artikel 2, onder a, wordt de breedte van de gevels gemeten boven de begane grondvloeren, tussen de, op de gevels loodrecht staande buitenwerkse gevelvlakken en/of harten van scheidsmuren.

Ingevolge artikel 2, onder b, wordt de oppervlakte van gebouwen gemeten boven de begane grondvloeren, tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of harten van scheidsmuren.

Ingevolge artikel 9 zijn de op de plankaart blijkens de daarop voorkomende verklaring als "Eengezinshuizen" aangewezen gronden bestemd voor eengezinshuizen.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, bezien in samenhang met de op de bij het bestemmingsplan behorende kaart ter plaatse van het perceel aangegeven bebouwingscategorie IV, geldt voor het bouwen van eengezinshuizen op het perceel een minimum afstand tot de zijdelingse perceelsgrens van 2 m.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, mag op of in de gronden die zijn gelegen tussen de zijgevel van een eengezinshuis en de zijdelingse perceelsgrens, één garage gebouwd worden waarvan de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 20 m².

Ingevolgde het derde lid mogen voor zover de gronden zijn gelegen achter de achtergevel van het eengezinshuis en de denkbeeldig verlengden daarvan, op of in die gronden bijgebouwen worden gebouwd. Voor het bouwen gelden de eisen die zijn gesteld in artikel 13, tweede lid.

Ingevolge artikel 12 zijn de op de plankaart als "Erven" aangewezen gronden bestemd voor tuinen.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, voor zover thans van belang, mogen op of in de gronden, als bedoeld in artikel 12, uitsluitend uitbouwen, aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, onder a, mag aan de achtergevel van een eengezinshuis ten hoogste één uitbouw en/of één aangebouwd bijgebouw worden gebouwd.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Hiertoe voert zij onder meer aan dat met het bouwplan een uitbreiding van de woning is beoogd en geen uitbreiding van de garage, waardoor de woning in strijd met artikel 10, eerste lid, op minder dan 2 m van de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd.

2.3.1. Dit betoog slaagt. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het bouwplan betrekking heeft op de uitbreiding van een bijgebouw als bedoeld in artikel 1, onderdeel v, van de planvoorschriften. De nieuwe ruimte kan in bouwkundig opzicht niet los worden gezien van de woning, reeds omdat deze alleen vanuit het hoofdgebouw kan worden betreden. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is de ruimte daardoor functioneel niet dienstbaar aan de woning, maar maakt daarvan deel uit. De bestaande zijgevel wordt daarmee de zijgevel van de woning, doch deze voldoet niet aan het vereiste dat de afstand van een eengezinshuis tot een perceelsgrens ten minste 2 meter dient te bedragen. Gelet hierop is het bouwplan in strijd met artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften.

Voor zover het bouwplan al aangemerkt had kunnen worden als een uitbreiding van een bijgebouw, zoals door het college betoogd, heft dit de strijdigheid met het bestemmingsplan niet op. De in het bouwplan voorziene ruimte onder de kap betreft, gelet op de functie, geen garage in de zin van artikel 10, tweede lid van de planvoorschriften en de maximaal toegestane oppervlakte van 20 m² wordt bovendien overschreden doordat de kap uitsteekt vóór de garage. Voorts volgt uit artikel 10, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 13, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, dat een bijgebouw anders dan een garage alleen achter de achtergevel mag worden gebouwd.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. Gelet hierop wordt aan de overige beroepsgrond dat met het bouwplan niet wordt voldaan aan de in het bestemmingsplan neergelegde maatvoering niet meer toegekomen. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet hierop zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep van [appellante] alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 13 november 2006 wegens strijd met artikel 44, eerste lid, onder c, van de Woningwet vernietigen. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 18 juli 2007 in zaak nr. 06/2700;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van 13 november 2006, kenmerk 06uit02251;

V. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.333,40 (zegge: dertienhonderddrieëndertig euro en veertig cent) waarvan een bedrag groot € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) voor de behandeling van het beroep geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en een bedrag groot € 699,40 (zegge: zeshonderdnegenennegentig euro en veertig cent) voor de behandeling van het hoger beroep deels toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor een bedrag groot € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro); het dient door gemeente Oude IJsselstreek aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat gemeente Oude IJsselstreek aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 355,00 (zegge: driehonderdvijfenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008

270-543.