Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2119

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200705598/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2005 heeft de raad van de gemeente Uitgeest (hierna: de gemeenteraad), voor zover hier van belang, een verzoek om vergoeding van planschade van [wederpartij] en [belanghebbende] van 28 april 2004 afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2008/150
Module Ruimtelijke ordening 2008/5404
O&A 2008, 78
TBR 2008/164 met annotatie van J.A.M.A. Sluysmans
JOM 2008/583
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705598/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Uitgeest,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06-3681 van de rechtbank Haarlem van 25 juni 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Uitgeest

en

de raad van de gemeente Uitgeest.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2005 heeft de raad van de gemeente Uitgeest (hierna: de gemeenteraad), voor zover hier van belang, een verzoek om vergoeding van planschade van [wederpartij] en [belanghebbende] van 28 april 2004 afgewezen.

Bij besluit van 23 februari 2006 heeft de gemeenteraad, voor zover hier van belang, het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juni 2007, verzonden op 29 juni 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank), voor zover hier van belang, het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 maart 2006 (lees: 23 februari 2006), voor zover bestreden, vernietigd en bepaald dat aan [wederpartij] een schadevergoeding wordt toegekend ten bedrage van € 15.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de gemeenteraad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2008, waar de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. W.A.M. Admiraal, ambtenaar bij de gemeente, en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. C. Lubben, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [wederpartij] is eigenaar van het perceel gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Hij heeft, voor zover thans van belang, verzocht om vergoeding van planschade die hij lijdt door de vaststelling van het bestemmingsplan "Waldijk", waardoor achter zijn woning de bouw van een woonwijk mogelijk is geworden. Volgens [wederpartij] zal sprake zijn van vermindering van zijn uitzicht en een toename van verkeer, waardoor zijn woning in waarde daalt.

2.3. Niet in geschil is dat [wederpartij] door het bestemmingsplan "Waldijk", vergeleken met het voorheen geldende planologische regime, in een nadeliger planologische positie is geraakt en dat hij dientengevolge schade heeft geleden.

2.4. De gemeenteraad heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ). De SAOZ heeft ter zake geadviseerd tot toekennen van een planschadevergoeding ten bedrage van € 15.000,00.

In afwijking van dit advies heeft de gemeenteraad het verzoek van [wederpartij] afgewezen en deze afwijzing bij het besluit op bezwaar van 23 februari 2006 gehandhaafd. Daaraan heeft de gemeenteraad ten grondslag gelegd dat voor de aanleg van een ontsluitingsweg naar de in het bestemmingsplan "Waldijk" voorziene woonwijk een stuk grond ter grootte van 67 centiaren van [wederpartij] is aangekocht. In de koopovereenkomst voor deze grond is [wederpartij] planologische medewerking toegezegd aan een bouwplan voor één woning op diens perceel. De gestelde planschade heeft volgens de gemeenteraad aldus een zodanige verwevenheid met de aan [wederpartij] geboden mogelijkheid om op eigen terrein een woning te doen bouwen, welke mogelijkheid zonder het bestemmingsplan "Waldijk" niet zou zijn ontstaan, dat diens planschade hiermee wordt gecompenseerd.

2.5. De gemeenteraad betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat bij het besluit van 23 februari 2006 ondeugdelijk gemotiveerd is afgeweken van het door de SAOZ ter zake uitgebrachte advies en dat de rechtbank ten onrechte, door zelf in de zaak te voorzien, heeft bepaald dat aan [wederpartij] een planschadevergoeding ten bedrage van € 15.000,00 wordt toegekend. Volgens de gemeenteraad heeft de rechtbank hiermee miskend dat de planschade van [wederpartij] voldoende anderszins is verzekerd door de in de koopovereenkomst opgenomen toezegging om planologische medewerking aan een bouwplan te verlenen. Er bestond derhalve geen grond om [wederpartij] een planschadevergoeding toe te kennen, aldus de gemeenteraad.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 augustus 2005 in zaak nr. 200409930/1) moet bij de beantwoording van de vraag of de schade anderszins is verzekerd, waarop het geschil in hoger beroep zich toespitst, rekening worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden.

In het voorliggende geval is de grond van [wederpartij] aangekocht om een ontsluitingsweg naar de in het bestemmingsplan "Waldijk" voorziene woonwijk aan te leggen. De aankoop van de grond en het bestemmingsplan "Waldijk" staan derhalve met elkaar in relatie. In de ter zake gesloten koopovereenkomst is, voor zover hier van belang, bepaald dat de gemeente op verzoek van [wederpartij] aan hem of een nader door hem aan te wijzen derde medewerking zal verlenen aan een bouwplan voor één woning op zijn perceel, onder een aantal nadere voorwaarden. Ter zitting is van de zijde van de gemeenteraad toegelicht dat deze toezegging inhoudt dat [wederpartij] desgevraagd op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling zal worden verleend voor het oprichten van een woning op het achterste gedeelte van diens perceel. Dit deel van het perceel sluit aan een zijde aan bij een op grond van het bestemmingsplan "Waldijk" gerealiseerde woning. Aan buren van [wederpartij], aan de andere zijde van de achterzijde van het perceel van [wederpartij], van wie eveneens grond is aangekocht ten behoeve van de aanleg van voornoemde ontsluitingsweg, is eenzelfde toezegging gedaan. Op de desbetreffende buurpercelen zijn ook daadwerkelijk woningen opgericht. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond de verwezenlijking van de aan [wederpartij] gedane toezegging niet als reëel te beschouwen. De Afdeling acht verder van belang dat het achterste gedeelte van het perceel van [wederpartij], zoals ter zitting van de zijde van de gemeenteraad onweersproken is toegelicht, door de in de koopovereenkomst opgenomen toezegging aanzienlijk in waarde is gestegen. Voor die waardestijging speelt geen rol of [wederpartij] daadwerkelijk van plan is een woning te bouwen. Hierbij komt nog dat [wederpartij], vanwege de wens van de gemeente om de ontsluitingsweg gedeeltelijk op diens grond aan te leggen, van de gemeente en de betrokken [aannemer] tezamen een bovengemiddelde totaalprijs van € 113,00 per centiare verkochte grond heeft ontvangen.

Gezien het voorgaande ziet de Afdeling voldoende reden ervan uit te gaan dat de toezegging om planologische medewerking aan een bouwplan te verlenen en de voor de grond ontvangen vergoeding mede strekken tot compensatie van de schade die [wederpartij] door het bestemmingsplan "Waldijk" heeft geleden. Weliswaar blijkt uit de koopovereenkomst niet dat de toegezegde planologische medewerking en de overeengekomen grondprijs mede strekken ter vergoeding van planschade, maar daaraan komt in dit geval geen beslissende betekenis toe, nu het tegendeel daaruit evenmin blijkt. Gelet op alle omstandigheden tezamen heeft de gemeenteraad dan ook met juistheid aan de bij het besluit van 23 februari 2006 gehandhaafde afwijzing van het verzoek van [wederpartij] om vergoeding van planschade ten grondslag gelegd dat deze schade in dit geval anderszins is verzekerd. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gezien hetgeen is overwogen onder 2.5.1, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden gedeelte van het besluit van de gemeenteraad van 23 februari 2006 alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 25 juni 2007 in zaak nr. 06-3681;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008

18-496.