Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2117

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200705439/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2007, nr. 1272252, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Werkendam (hierna: de raad) bij besluit van 13 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Reparatieherziening kern Sleeuwijk ([locaties] Sleeuwijk)".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705439/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2007, nr. 1272252, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Werkendam (hierna: de raad) bij besluit van 13 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Reparatieherziening kern Sleeuwijk ([locaties] Sleeuwijk)".

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H.A.M. Lamers, werkzaam bij

DAS Rechtsbijstand, is verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door A.J. van Eijk, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" voor het perceel [locaties]. In het plan is aan dit perceel een bouwvlak toegekend met een lengte van 21 meter en een breedte van 8 meter. Ter plaatse is een bedrijfsgebouw toegelaten met een maximale goothoogte van 2,7 meter en een maximale bouwhoogte van 7,3 meter.

Ingevolge artikel 5, zesde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van de aanwijzingen op de plankaart met betrekking tot de maximale goot- of bouwhoogte ten behoeve van de bouw van gebouwen met een grotere hoogte, met dien verstande dat de op de plankaart aangegeven goot- of bouwhoogte met ten hoogste 2 meter mag worden verhoogd.

2.3. [appellant] stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en met de aanduiding "bouwvlak" betreffende [het perceel]. Daartoe voert hij aan dat uit de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2005 niet volgt dat dit plandeel geheel moet worden afgestemd op het advies van BRO van 12 maart 2003.

Volgens [appellant] kunnen de door hem gewenste bouwmogelijkheden wél in het plan worden opgenomen. Hij voert aan dat de door hem gewenste bebouwing slechts marginaal groter is dan de bestaande loods en voorts noodzakelijk is voor een doelmatige en financieel verantwoorde bedrijfsvoering. Daarnaast stelt hij dat deze bebouwing het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig zal aantasten. Ook voert hij aan reeds in 2001 een concreet bouwplan te hebben ingediend.

Verder voert [appellant] aan dat het bouwvlak ten onrechte slechts een breedte van 8 meter heeft, nu de breedte van de bestaande loods 10,5 meter bedraagt, en dat de toegelaten goothoogte van 2,7 meter kleiner is dan de bestaande goothoogte.

Ten slotte stelt [appellant] dat vrijstelling van het plan voor een grotere goot- en bouwhoogte reeds impliciet is geweigerd.

2.4. Het college heeft goedkeuring verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en met de aanduiding "bouwvlak" betreffende [het perceel]. Het college stelt dat de raad met inachtneming van de uitspraak van 10 augustus 2005 alsnog een belangenafweging heeft gemaakt, waarin het advies van BRO van 12 maart 2003 is betrokken, en stemt in met deze belangenafweging.

Het college acht van belang dat het plangebied volgens de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart is gelegen in een cultuurhistorisch waardevolle omgeving en stelt dat de door [appellant] gewenste maatvoering sterk afwijkt van de omliggende bebouwing met een lage bebouwingsdichtheid. Voorts stelt het college dat de bedrijfsvoering van [appellant] niet onmogelijk wordt gemaakt door het plan.

Ten slotte merkt het college op dat het plan voorziet in een vrijstellingsbevoegdheid waarmee de goothoogte en bouwhoogte met 2 meter kunnen worden vergroot.

2.5. In het vaststellingsbesluit stelt de raad dat de kernactiviteit van het bedrijf van [appellant] de uitoefening van een koeriersbedrijf betreft en dat het verrichten van onderhoud en reparatie, zoals [appellant] wenst, een bijkomende activiteit zal betreffen die kan worden uitbesteed. Volgens de raad heeft [appellant] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in onevenredig zware mate wordt getroffen door het plan.

Voorts stelt de raad dat uit het advies van BRO van 12 maart 2003 blijkt dat in de huidige situatie sprake is van een relatief gaaf en cultuurhistorisch interessant totaalbeeld. De door [appellant] gewenste bouwmassa van het bedrijfsgebouw wijkt volgens de raad sterk af van de omliggende panden. Daarnaast is het bouwperceel hoger gelegen ten opzichte van het straatje

[locatie]. De door [appellant] gewenste bebouwing zal derhalve de bestaande omgeving in meerdere opzichten domineren.

2.6. Bij besluit van 29 juni 2004 had de raad het bestemmingsplan "Reparatieherziening kern Sleeuwijk ([locaties] Sleeuwijk)" vastgesteld. Ingevolge dit plan was op [het perceel] een gebouw toegelaten met een maximale goothoogte van 3,7 meter en een maximale bouwhoogte van 8,8 meter. Bij besluit van 28 december 2004, nr. 1019322, had het college goedkeuring verleend aan dit plan. Dit besluit is vernietigd bij uitspraak van 10 augustus 2005, in zaak nr. 200501590/1. Daartoe heeft de Afdeling als volgt overwogen:

"Bij de planvoorbereiding heeft het college van burgemeester en wethouders advies gevraagd aan het BRO over een bouwaanvraag voor het vervangen van de loods op het perceel. Op 12 maart 2003 heeft het BRO advies uitgebracht. In dit advies is aanbevolen het bouwplan af te wijzen, omdat de bijzondere ruimtelijke condities en de cultuurhistorische waarden van de locatie met de directe omgeving, het stellen van aanvullende eisen noodzakelijk maakt. In het advies wordt voorgesteld de omvang van de loods te beperken door de goothoogte terug te brengen van 3.70 meter tot 2.70 meter en de breedte terug te brengen van 9 meter naar 8 meter, waardoor de nokhoogte ongeveer 1,50 meter zakt. […]

Voor een goede ruimtelijke ordening dienen alle bij het gebruik van de in het plan begrepen grond en opstallen betrokken belangen te worden betrokken. Met het oog daarop is bij de planvoorbereiding het hiervoor […] vermelde stedenbouwkundig bureau gevraagd om advies uit te brengen over de bebouwingsmogelijkheden op het perceel. Bij de planvaststelling heeft de gemeenteraad de aanbevelingen in dit advies niet betrokken.

De motivering van verweerder in het bestreden besluit dat desondanks sprake is van een goede ruimtelijke ordening, overtuigt de Afdeling niet. Weliswaar zijn de bouwmogelijkheden op het perceel ten opzichte van het voorheen geldende plan ingeperkt, maar die waren tot op heden niet benut en worden thans ten opzichte van de op het perceel aanwezige loods, aanmerkelijk vergroot. Voorts blijkt noch uit het bestreden besluit noch uit het vaststellingsbesluit in hoeverre het belang van de eigenaar van het perceel in de weg staat aan het geheel of gedeeltelijk volgen van de aanbevelingen in dit advies. Nu de strekking van dit advies is dat de bijzondere ruimtelijke condities en de cultuurhistorische waarden van de locatie nopen tot het stellen van nadere eisen aan de bebouwingsmogelijkheden op het perceel, kan de enkele motivering van verweerder in navolging van de gemeenteraad dat het voorheen geldende bestemmingsplan ruimere bebouwingsmogelijkheden bood, de conclusie in het bestreden besluit dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, niet dragen.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. […]"

2.7. Bij besluit van 23 augustus 2005, nr. 1077930, heeft het college naar aanleiding van voornoemde uitspraak goedkeuring onthouden aan het onder 2.6. genoemde plan.

2.8. In de uitspraak van 10 augustus 2005 heeft de Afdeling overwogen dat niet is gebleken in hoeverre het belang van [appellant] in de weg staat aan het geheel of gedeeltelijk volgen van de aanbevelingen in het advies van BRO van 12 maart 2003. Nu [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gewenste bebouwing noodzakelijk is voor een doelmatige en financieel verantwoorde bedrijfsvoering, hebben het college en de raad in redelijkheid een groot gewicht kunnen toekennen aan de aanbevelingen in het advies van BRO van 12 maart 2003.

In overeenstemming met de aanbevelingen is een bouwvlak met een breedte van 8 meter toegekend en is een maximale goothoogte van 2,7 meter toegelaten. Tussen partijen is echter niet in geschil dat de bestaande loods een breedte heeft van ongeveer 10,5 meter en een goothoogte heeft van 3,3 meter, zodat de bestaande bebouwing in zoverre onder het overgangsrecht van het plan is gebracht. Het college en de raad hebben dit niet onderkend. Ter zitting heeft de raad bevestigd dat het plan op dit punt niet is afgestemd op de feitelijke situatie, omdat bij de vaststelling van het plan ervan is uitgegaan dat de bestaande loods zal worden gesloopt en zal worden vervangen door een nieuwe loods. Voorts heeft de raad verklaard dat evenwel niet is beoogd om het gebruik van de loods in de huidige omvang te beëindigen. Gelet hierop is het plan op dit punt vastgesteld in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met deze bepaling in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" dat betrekking heeft op de gronden van [het perceel] waarop de loods staat. Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

2.9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 29 mei 2007, nr. 1272252, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" dat betrekking heeft op de gronden van [het perceel] waarop de loods staat;

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II. genoemde plandeel;

IV. bepaalt dat onderdeel III. van deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 29 mei 2007, voor zover dit besluit is vernietigd;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008

177-516.