Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2104

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200707121/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2006 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) aan de Dienst Landelijk Gebied van zijn ministerie (hierna: de DLG) meegedeeld dat voor de voorgenomen aanleg van een fietspad langs De Schans in de gemeenten Duiven en Westervoort geen ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet nodig is.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNA 2008/5 met annotatie van Boerema
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707121/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Milieugroep Westervoort, gevestigd te Westervoort,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/5456 van de rechtbank Arnhem van 28 augustus 2007 in het geding tussen:

de vereniging Milieugroep Westervoort

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2006 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) aan de Dienst Landelijk Gebied van zijn ministerie (hierna: de DLG) meegedeeld dat voor de voorgenomen aanleg van een fietspad langs De Schans in de gemeenten Duiven en Westervoort geen ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet nodig is.

Bij op 11 september 2006 verzonden besluit heeft de minister het door de vereniging Milieugroep Westervoort (hierna: de Milieugroep) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 augustus 2007, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door de Milieugroep daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Milieugroep bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2007, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Milieugroep heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2008, waar de Milieugroep, vertegenwoordigd door [voorzitter] en [penningmeester] van de Milieugroep, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.J. Veth en ing. K.W. Mossink, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9 van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Ingevolge artikel 10 is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Ingevolge artikel 11 is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Ingevolge artikel 75, derde lid, kan de minister ontheffing verlenen van onder andere het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9, 10 en 11.

2.2. De Milieugroep heeft aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat de minister zich ten onrechte heeft laten adviseren door de DLG, omdat die dienst niet onafhankelijk is. Voorts heeft de Milieugroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister haar stelling, dat het toekomstige gebruik van het fietspad tot verontrusting van de diersoorten zal leiden, voldoende heeft weerlegd door te verwijzen naar telefonisch verkregen informatie van de Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming (hierna: de VZZ) dat loslopende honden de waterspitsmuis niet verontrusten en de mededeling dat het in het betreffende gebied verboden zal worden honden los te laten lopen. Ten slotte heeft de Milieugroep aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat voor de aanleg van het fietspad een ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Ffw vereist is. De rechtbank heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2007, zaaknummer 200607731/1 waarbij de goedkeuring van het wijzigingsplan "2e wijzigingsvoorschrift van het bestemmingsplan Hondsbroeksche Pleij en Schans" is vernietigd, aldus de Milieugroep.

2.2.1. De DLG heeft op 1 februari 2006 een advies uitgebracht aan de minister over de aanleg van het fietspad. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 juli 2007 in zaak nr. 200700485/1) mag de minister zich door zijn ambtelijke dienst, zoals de DLG, laten adviseren, mits de adviezen op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze zijn opgesteld. Niet is gebleken dat het advies van de DLG niet aan deze vereisten voldoet. Anders dan de Milieugroep heeft gesteld brengt het enkele feit dat de DLG in dit geval betrokken is bij de inrichting van het gebied, niet met zich dat het advies partijdig is. De minister mocht het advies dan ook bij de voorbereiding van zijn besluit betrekken.

2.2.2. Het fietspad is voorzien langs de oude defensiegracht van het fort Geldersoort en langs de Lee-watergang. Het water en de oever van de gracht vormen het leefgebied van de beschermde diersoorten de waterspitsmuis, de kamsalamander en de rugstreeppad.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat het fietspad op cultuurgrond, buiten het leefgebied, zal worden aangelegd en dat de verboden genoemd in de artikelen 9 en 11 van de Ffw niet zullen worden overtreden. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving, reeds daarom moet worden aangemerkt als een opzettelijke verontrusting in de zin van artikel 10 van de Ffw. De aanleg van het fietspad zal plaatsvinden in het najaar, wat volgens de in opdracht van de DLG door Grontmij uitgevoerde natuurtoets (hierna: de Natuurtoets) de beste periode is voor de beschermde soorten. Voorts zullen honden moeten worden aangelijnd. Dat honden ongehinderd achter de beschermde diersoorten zullen aanrennen en hun uitwerpselen tot een onaanvaardbare waterverontreiniging zullen leiden zijn in de loop van de procedure opgeworpen, in het geheel niet onderbouwde veronderstellingen van de Milieugroep. Onder die omstandigheden kon de minister volstaan met de telefonisch verkregen informatie van de VZZ dat loslopende honden de waterspitsmuis niet verontrusten. Gelet hierop is de Afdeling, in navolging van de rechtbank, van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen verontrusting als bedoeld in artikel 10 van de Ffw zal plaatsvinden. Wat betreft de in het gebied aanwezige vleermuizen en vogels blijkt uit de Natuurtoets dat die niet te lijden hebben van de aanleg, mits de werkzaamheden buiten het broedseizoen zullen plaatsvinden. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat een ontheffing als bedoeld in artikel 75, derde lid, van de Ffw voor de aanleg van het fietspad niet nodig is. Anders dan de Milieugroep heeft aangevoerd is dit in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2007, zaaknummer 200607731/1, nu daarin is overwogen dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan in de weg zal staan.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008

290.