Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2092

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200705562/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Veldhoven (hierna: de raad) bij besluit van 21 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Rosep".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705562/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Veldhoven (hierna: de raad) bij besluit van 21 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Rosep".

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2008, waar [appellant], in persoon, is verschenen. Tevens zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door R. Smits, ambtenaar in dienst van de gemeente en Ballast Nedam Ontwikkelingsmaatschappij, vertegenwoordigd door mr. M.C. Brans, advocaat te Amsterdam, gehoord.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2 [appellant] betoogt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, nu het college niet alle onderdelen van zijn bedenkingen afzonderlijk heeft behandeld. Voorts kan hij zich niet verenigen met de stedenbouwkundige opzet van het plan en stelt dat ten onrechte niet is aangesloten bij de bestaande wijk Pegbroeken. De hoogte van de woningen past niet bij de maatvoering van de reeds bestaande woningen. Voorts stelt [appellant] zich op het standpunt dat door verlies van groenvoorzieningen het woongenot ernstig zal worden aangetast. Tevens voert hij aan dat volgens de normen van het CROW 118,4 parkeerplaatsen nodig zijn en dat het plan slechts voorziet in 55 parkeerplaatsen. Dit zal leiden tot parkeeroverlast. Ter zitting heeft [appellant] zijn beroepsgrond met betrekking tot het onderzoek naar de luchtkwaliteit ingetrokken.

2.3 Het college stelt zich op het standpunt dat het plan wat betreft de toegestane bouwmogelijkheden en maatvoering goed aansluit bij de bestaande woningen en ziet in de bezwaren van [appellant] geen aanleiding om de gemeentelijke keuze onaanvaardbaar te achten. Voorts stelt het college zich op het standpunt dat de bebouwing van de groenstrook bijdraagt aan intensief ruimtegebruik en dat er geen natuur- en/of landschappelijke waarden worden aangetast. Ten aanzien van de parkeerbalans stelt het college dat nu alle 74 woningen een parkeerplaats op eigen terrein krijgen er met 55 beschikbare parkeerplaatsen ruimschoots wordt voldaan aan de normen van het CROW.

2.4 Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering wordt overwogen dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat het college de bedenkingen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van de bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.5 Ten aanzien van het betoog van [appellant] inzake de stedenbouwkundige opzet van het plan wordt als volgt overwogen. De raad komt in beginsel een grote mate van vrijheid toe om de stedenbouwkundige opzet van een plan vorm te geven door middel van het aanwijzen van bestemmingen en het vaststellen van voorschriften. Blijkens de plantoelichting en het beeldkwaliteitsplan is de ringvorm van de bestaande atletiekbaan als uitgangspunt gekozen voor de stedenbouwkundige structuur van het plan. Er is uitgegaan van een ruime opzet waarbij onder andere in maatvoering en materiaalkeuze aansluiting is gezocht bij de naastliggende wijk Pegbroeken. De stedenbouwkundige opzet van de wijk Pegbroeken kent een afwisseling van vrijstaande, halfvrijstaande en geschakelde woningen. Het plan voorziet in gelijksoortige woningtypen. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan wat betreft de woningtypen en maatvoering aansluit bij de bestaande woningen. Hetgeen [appellant] op dit punt naar voren heeft gebracht geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de in het plan gekozen stedenbouwkundige opzet en maatvoering.

2.6 Voor zover [appellant] stelt dat zijn woongenot ernstig wordt geschaad door bebouwing van de groenstroken aan de randen van het plan, wordt overwogen dat enige vermindering van woongenot niet valt uit te sluiten. Het college heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van het woongenot niet dusdanig is dat hieraan doorslaggevende betekenis moet worden toegekend. Daarbij heeft het college in redelijkheid in aanmerking kunnen nemen dat het plan voorziet in voldoende overige groenvoorzieningen en dat de bebouwing van de groenstrook past in het beleid van intensief benutten van bestaand stedelijk gebied. Voorts heeft het college hierbij in redelijkheid belang kunnen hechten aan het feit dat de afstand van de woning tot de te bebouwen strook twintig meter bedraagt.

2.7 Ten aanzien van de stelling van [appellant] dat niet wordt voldaan aan de CROW-norm en dat het plan tot parkeeroverlast zal leiden, wordt overwogen dat uit berekeningen uit de CROW-norm volgt dat er 118,6 parkeerplaatsen nodig zijn. Blijkens de plantoelichting zullen ten behoeve van de met het plan voorziene woningen 55 openbare parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Voorts blijkt uit de plantoelichting en het verweerschrift dat wordt uitgegaan van parkeren op eigen erf. De 74 te bouwen woningen zullen derhalve over een parkeerplaats op eigen terrein beschikken. Het plan biedt hiervoor ruimte. Gelet hierop voldoet het aantal te realiseren parkeerplaatsen aan de CROW-norm. Het college heeft derhalve in redelijkheid kunnen oordelen dat met het voorziene aantal parkeerplaatsen aan de behoefte wordt voldaan en dat het niet aannemelijk is dat het plan tot parkeeroverlast zal leiden.

2.8 De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.9 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Verbeek

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008

317-575.