Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2091

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200703829/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (hierna: het college) een verzoek van [appellant] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Supermarkt Rosmalen B.V. (hierna: Supermarkt Rosmalen) toegewezen. Bij besluit van 21 december 2006 heeft het college een nadere eis gesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/485
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703829/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (hierna: het college) een verzoek van [appellant] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Supermarkt Rosmalen B.V. (hierna: Supermarkt Rosmalen) toegewezen. Bij besluit van 21 december 2006 heeft het college een nadere eis gesteld.

Bij besluit van 27 april 2007 heeft het college de door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2007, beroep ingesteld.

Bij besluit van 2 juli 2007, gehandhaafd bij besluit van 17 januari 2008, heeft het college het besluit van 27 april 2007 gewijzigd.

[appellant] en Supermarkt Rosmalen hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2008, waar [appellant], in persoon en vergezeld door J.F. Sang-Atang en A.A.A. Peeters, en het college, vertegenwoordigd door M.C.H. van de Ven, ambtenaar werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is Supermarkt Rosmalen, vertegenwoordigd door E.P.J. Hendricks en vergezeld door J.L.B. Vogelzang, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge voorschrift 1.1.1. van bijlage 2, van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven (hierna: het Besluit) (oud) mag het equivalente geluidniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten op de gevel van woningen, niet meer bedragen dan:

50 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur

45 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur

40 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur

Ten aanzien van het piekniveau van het geluid op de gevel van woningen is in voorschrift 1.1.1 bepaald dat deze niet meer bedragen dan:

70 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur

65 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur

60 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur.

Ingevolge artikel 5 van het Besluit (oud) kan, voor zover hier van belang, het bevoegd gezag nadere eisen stellen met betrekking tot de in bijlage 2 opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, voor zover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is aangegeven.

Ingevolge voorschrift 4.1.1 van bijlage 2, aanhef en onder a, van het Besluit (oud) kan, voor zover hier van belang, het bevoegd gezag in gevallen waarin de in voorschrift 1.1.1 opgenomen waarden naar zijn oordeel te hoog of te laag zijn voor equivalente geluidniveaus en piekniveaus voor een inrichting bij nadere eis waarden vaststellen die lager of hoger zijn dan de in voorschrift 1.1.1 opgenomen waarden.

2.2. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. (hierna: Cauberg-Huygen) heeft akoestische onderzoeken verricht, waarbij als gevolg van het grote aantal personenauto's van klanten van Supermarkt Rosmalen overtredingen van de in voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 van het Besluit (oud) opgenomen equivalente geluidniveaus zijn geconstateerd. Voorts zijn bij deze onderzoeken vanwege het dichtslaan van portieren of achterkleppen, het gebruik van de claxon en in de nachtperiode door optrekkende vrachtwagens, overtredingen van de in voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 van het Besluit (oud) opgenomen piekniveaus geconstateerd. De resultaten van de akoestische onderzoeken zijn neergelegd in de rapporten van 8 maart 2006, 15 mei 2006, 6 juni 2006 en 29 juni 2006.

2.3. Bij besluit van 19 december 2006, zoals aangepast bij het bestreden besluit, is een last opgelegd onder een dwangsom van € 5.000,- die wordt verbeurd per week na 19 juni 2007 gedurende welke de geluidgrenswaarden van voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 van het Besluit (oud) worden overtreden, onder de bepaling dat de dwangsom maximaal kan oplopen tot een bedrag van € 50.000,-.

Bij besluit van 2 juli 2007 is de begunstigingstermijn, die is verbonden aan de opgelegde last onder dwangsom, opgeschort tot 19 december 2007. Bij besluit van 17 januari 2008 is dit besluit herroepen en is onder herstel van een geconstateerd motiveringsgebrek de begunstigingstermijn wederom tot 19 december 2007 opgeschort.

Bij besluit van 21 december 2006 heeft het college de nadere eis gesteld dat het equivalente geluidniveau op de gevel van de woning van [appellant], gelegen op de [locatie], niet meer mag bedragen dan 51 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur en 48 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur.

Nadere eis

2.4. Op 1 januari 2008 is het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer in werking getreden. Ingevolge artikel 6.43 van dit besluit is het Besluit (oud) met ingang van die datum ingetrokken. Voorts volgt uit het overgangsrecht als opgenomen in hoofdstuk 6 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer dat de door het college gestelde nadere eis met de intrekking van het Besluit (oud) van rechtswege is vervallen, nu het bestreden besluit, waarbij deze door het college gestelde nadere eis is gehandhaafd, op 1 januari 2008 nog niet onherroepelijk was.

Niet is gebleken dat [appellant] niettemin belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit voor zover bij dit besluit de door het college gestelde nadere eis is gehandhaafd.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Last onder dwangsom

2.5. [appellant] betoogt dat, samengevat weergegeven, het college ten onrechte heeft nagelaten zijn klachten over afval, stof, visuele hinder, verkeer, gevaar, geur, luchtkwaliteit, lichthinder en trilling te onderzoeken. Aldus is het bestreden besluit volgens [appellant] in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onzorgvuldig voorbereid.

Uit het besluit van 19 december 2006, gehandhaafd bij het besluit van 27 april 2007, blijkt dat het college die klachten wel heeft onderzocht.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant] betoogt dat het college niet effectief is opgetreden tegen de geconstateerde overtredingen en bestuursdwang had moeten toepassen.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juni 2002 in zaak nr. 200104047/1; AB 2003, 53) behoeft de keuze van het college voor het instrument van de last onder dwangsom in beginsel geen afzonderlijke motivering. Artikel 5:32 van de Awb biedt het bestuursorgaan, dat bevoegd is tot het toepassen van bestuursdwang, de keuze voor het opleggen van een last onder dwangsom, met dien verstande dat voor het opleggen van een last onder dwangsom niet wordt gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen zich daartegen verzet. Dit laatste is niet het geval nu niet valt in te zien dat de belangen die worden beschermd door voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 van het Besluit (oud) aan de oplegging van een last onder dwangsom in de weg staan.

De beroepsgrond faalt.

Begunstigingstermijn

2.7. Volgens het bestreden besluit is de begunstigingstermijn tot 19 juni 2007 niet te lang omdat deze is afgestemd op de tijd die is gemoeid met het verkrijgen van een bouwvergunning voor het plaatsen van een geluidmuur en de daadwerkelijke plaatsing. [appellant] betwist dit en voert daartoe aan dat het plaatsen van een geluidmuur niet mogelijk dan wel niet effectief is en dat het college ten onrechte heeft nagelaten andere maatregelen om de geluidoverlast tegen te gaan te onderzoeken.

2.7.1. Bij uitspraak van 27 juni 2007 in zaak nr. 200606202/1 heeft de Afdeling overwogen dat aan Supermarkt Rosmalen in strijd met het bestemmingsplan een bouwvergunning is verleend. Bij besluit van 28 november 2007 is deze bouwvergunning alsnog geweigerd. Bij besluit van 29 januari 2008 is ook de verzochte bouwvergunning voor het plaatsen van een geluidmuur geweigerd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college bij het vaststellen van de begunstigingstermijn onvoldoende rekening gehouden met de mogelijkheid dat het plaatsen van een geluidmuur niet haalbaar zou zijn en ten onrechte nagelaten te onderzoeken of andere maatregelen hadden kunnen worden getroffen. Het besluit is daarom in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 3:4, eerste lid, van de Awb.

De beroepsgrond slaagt.

2.8. Het beroep wordt op grond van artikel 6:19 van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 17 januari 2008 waarbij de bij het besluit van 2 juli 2007 bepaalde opschorting van de begunstigingstermijn tot 19 december 2007 is gehandhaafd, omdat dit besluit niet aan het beroep tegemoet komt. In aanmerking genomen hetgeen in rechtsoverweging 2.7.1 is overwogen, is ook het beroep, voor zover het tegen het besluit van 17 januari 2008 is gericht, gegrond.

Hoogte van de dwangsom

2.9. [appellant] betoogt dat de door het college opgelegde last onder dwangsom er niet toe zal leiden dat Supermarkt Rosmalen de geluidgrenswaarden niet meer zal overtreden, aangezien de dwangsom te laag is vastgesteld en aan een maximum is gekoppeld.

2.9.1. Ingevolge artikel 5:32, vierde lid, van de Awb, voor zover hier van belang, moet het vastgestelde bedrag in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat bij het vaststellen van de last onder dwangsom rekening is gehouden met het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Ter zitting heeft het college nader toegelicht dat met name de kosten die zijn gemoeid met het wegnemen van de overtredingen bepalend waren voor de hoogte van de last en dat de door Supermarkt Rosmalen gemaakte winst en omzet geen rol hebben gespeeld. De Afdeling is van oordeel dat het college in het bestreden besluit niet afdoende is ingegaan op het betoog van [appellant] dat de dwangsom niet het beoogde effect zal hebben. Nu het college voorts bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom aan de kosten voor het realiseren van een geluidmuur een aanzienlijk gewicht heeft toegekend zonder rekening te houden met de mogelijkheid dat de plaatsing van een geluidmuur niet haalbaar zou zijn, is de hoogte van de dwangsom in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Het besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

De beroepsgrond slaagt.

Slotsom

2.10. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond. Het besluit van 27 april 2007 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover het de begunstigingstermijn en de hoogte van de dwangsom betreft. De besluiten van 17 januari 2008 en 2 juli 2007 worden vernietigd.

2.11. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Het college zal bij het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar moeten beslissen op het in bezwaar gedane verzoek van [appellant] om vergoeding van de kosten in de bezwaarfase op de voet van artikel 7:15 van de Awb.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het beroep is gericht tegen het besluit op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de door het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch gestelde nadere eis;

II. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch van 27 april 2007, kenmerk SO/JUR p.v.:70013, voor zover het de begunstigingstermijn en de hoogte van de dwangsom betreft;

IV. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch van 2 juli 2007, kenmerk SO/MIL/071790786 en 17 januari 2008, kenmerk SO/JUR 8712 p.v.:70162;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch op om binnen 4 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VII. gelast dat de gemeente 's-Hertogenbosch aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. J.M. Boll en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008

373-491.