Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2084

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200706809/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel (hierna: het college) de stichting Stichting Triumphant Faith Chapel (hierna: de stichting) onder aanzegging van bestuursdwang gelast het organiseren en houden van kerkdiensten en activiteiten voor jongeren of asielzoekers in het bedrijfspand op het perceel Spaklerweg 75 te Duivendrecht (hierna: het perceel) binnen een dag na dagtekening van verzending van dit besluit achterwege te laten dan wel te beëindigen en niet te hervatten en voorts het exploiteren van een opleidingscentrum op het perceel binnen een dag na dagtekening van verzending van dit besluit te beëindigen en niet te hervatten.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2008/145
JOM 2008/446
Module Ruimtelijke ordening 2008/4577
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706809/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Triumphant Faith Chapel, gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4841 van de rechtbank Amsterdam van 13 augustus 2007 in het geding tussen:

de stichting Stichting Triumphant Faith Chapel

en

het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel (hierna: het college) de stichting Stichting Triumphant Faith Chapel (hierna: de stichting) onder aanzegging van bestuursdwang gelast het organiseren en houden van kerkdiensten en activiteiten voor jongeren of asielzoekers in het bedrijfspand op het perceel Spaklerweg 75 te Duivendrecht (hierna: het perceel) binnen een dag na dagtekening van verzending van dit besluit achterwege te laten dan wel te beëindigen en niet te hervatten en voorts het exploiteren van een opleidingscentrum op het perceel binnen een dag na dagtekening van verzending van dit besluit te beëindigen en niet te hervatten.

Bij besluit van 23 augustus 2006 heeft het college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 augustus 2007, verzonden op 15 augustus 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 september 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 oktober 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2008, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. drs. F.H. Garretsen, advocaat te Amsterdam, en [bestuurslid] van de stichting, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J.S. Verjans, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Industriegebied Amstel 1977" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Handel en industrie". Het gebruik waarop de last betrekking heeft, is strijdig met het ingevolge artikel 4 van de voorschriften van het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) toegestane gebruik en is derhalve in strijd met het in artikel 16 van de planvoorschriften neergelegde gebruiksverbod.

2.2. De stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het in artikel 16 van de planvoorschriften neergelegde gebruiksverbod, wat betreft het gebruik van het op het perceel gelegen pand ten behoeve van het houden van kerkdiensten, buiten toepassing moet worden gelaten, omdat dit een ontoelaatbare beperking inhoudt van de in artikel 9 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) neergelegde vrijheid van godsdienst.

2.2.1. Artikel 9 van het EVRM luidt:

1. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in practische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.

2. De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.2.2. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2005 in zaak nr. 200406278/1 geoordeeld dat het feit dat een grondrecht in het geding is, niet zonder meer betekent dat het in artikel 16 van de planvoorschriften neergelegde gebruiksverbod ter zijde wordt gesteld. Daarvoor is van belang dat de planvoorschriften niet zijn gericht op regeling van de inhoud van de godsdienst of de wijze van belijden daarvan. De beperking door het gebruiksverbod van de rechten als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het EVRM vindt haar grondslag in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en de op grond van die wet, onder andere door het gemeentebestuur, nader vastgestelde regelgeving, daaronder begrepen een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de WRO. Zoals onder meer volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2004 in zaak nr. 200306212/1, is het gebruiksverbod derhalve bij wet voorzien.

Aangezien de beperking van de in artikel 9, eerste lid, van het EVRM neergelegde rechten door het gebruiksverbod ertoe strekt dat gronden met de bestemming "Handel en industrie" overeenkomstig het bestemmingsplan worden gebruikt, en aldus onder meer beoogt de vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven op die gronden te beschermen, moet deze beperking worden aangemerkt als noodzakelijk in het belang van de bescherming van de openbare orde en de rechten en vrijheden van anderen als bedoeld in het tweede lid van dat artikel. De beperking is voorts evenredig aan het ermee beoogde doel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ter zitting is gebleken dat binnen de gemeente Ouder-Amstel slechts beperkt ruimte aanwezig is voor de bestemming "Handel en industrie". Verder is van belang dat het college ter zitting onweersproken heeft gesteld dat binnen de gemeente locaties bestaan waar, al dan niet na het verlenen van vrijstelling van het betreffende bestemmingsplan, kerkdiensten gehouden kunnen worden en voorts dat de stichting heeft aangegeven dat zij het houden van kerkdiensten na het verlaten van het betrokken pand op andere locaties heeft kunnen voortzetten. Aldus maakt het in artikel 16 van de planvoorschriften neergelegde gebruiksverbod het houden van kerkdiensten in Ouder-Amstel niet onmogelijk. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de belangen van de stichting er niet toe nopen toepassing van het gebruiksverbod of optreden ter handhaving daarvan achterwege te laten. De stelling van de stichting dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam in vergelijkbare gevallen de vrijheid van godsdienst laat prevaleren boven het planologische belang, doet, wat daar ook van zij, aan voorgaande beoordeling van de toepasselijkheid van het gebruiksverbod niet af omdat het college hierin een eigen bevoegdheid en verantwoordelijkheid heeft en leidt derhalve niet tot een ander oordeel.

Het betoog faalt.

2.3. Het college kon dan ook terzake handhavend optreden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. Voor zover de stichting betoogt dat vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO kan worden verleend ten behoeve van het door haar van het perceel gemaakte gebruik en derhalve concreet uitzicht op legalisering bestaat, faalt dat betoog. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het geen vrijstelling wil verlenen, onder meer gelet op de precedentwerking die daarvan zou uitgaan en voorts omdat het college het niet wenselijk acht op het betrokken bedrijventerrein bijeenkomstfuncties te laten plaatsvinden, gezien de functie van het bedrijventerrein en de omgeving waarin het is gelegen. Dat standpunt kan op voorhand niet onredelijk worden geacht. De rechtbank heeft het bestaan van concreet uitzicht op legalisering dan ook terecht niet aangenomen.

2.5. Het betoog van de stichting dat de rechtbank heeft miskend dat de begunstigingstermijn van één dag onredelijk kort is, faalt evenzeer. Niet valt in te zien waarom de overtreding niet binnen die termijn kon worden opgeheven. Voorts heeft de rechtbank er terecht op gewezen dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het betrokken pand, gelet op het aantal mensen dat naar eigen zeggen van de stichting gedurende de kerkdiensten in het pand aanwezig was, werd gebruikt zonder de vereiste gebruiksvergunning, dat zich een brandonveilige situatie voordeed en dat er sprake was van spoedeisendheid. In de stelling van de stichting dat de door het college geconstateerde gebreken wat betreft de brandveiligheid op zeer korte termijn konden worden verholpen en dat zij bereid was het aantal kerkgangers te beperken tot vijftig, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college de overtreding van het gebruiksverbod langer had moeten laten voortduren.

2.6. Wat betreft het ter zitting naar voren gebrachte betoog dat het college het specifiek op de stichting heeft voorzien en dat huidskleur daarbij een rol speelt, wordt overwogen dat dit uitsluitend is gebaseerd op vermoedens van de stichting en op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt.

2.7. Ten slotte betoogt de stichting tevergeefs dat de enkelvoudige kamer van de rechtbank de zaak, gezien het maatschappelijke belang ervan, had moeten verwijzen naar een meervoudige kamer. Ingevolge artikel 8:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bij de rechtbank een behandeling van zaken door een enkelvoudige kamer uitgangspunt. Of een zaak voor verwijzing naar een meervoudige kamer in aanmerking komt, staat ter beoordeling aan de enkelvoudige kamer. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 februari 2008 in zaak nr. 200704318/1) betreft dit een procesrechtelijke beslissing die in beginsel de verantwoordelijkheid is van de eerste rechter. Behoudens uitzonderingssituaties kunnen hiertegen gerichte gronden niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Een dergelijke uitzonderingssituatie doet zich in dit geval niet voor.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008

457.