Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2083

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200706794/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) aan [wederpartij] meegedeeld dat op 8 augustus 2006 het voertuig met het kenteken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 263 met annotatie van L.J.A. Damen
VR 2008, 144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706794/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07-109 van de rechtbank Haarlem van 16 augustus 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) aan [wederpartij] meegedeeld dat op 8 augustus 2006 het voertuig met het kenteken

[…] met toepassing van bestuursdwang van de [locatie] te [plaats] is verwijderd en dat de kosten hiervan voor haar rekening komen.

Bij besluit van 17 november 2006 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 augustus 2007, verzonden op 23 augustus 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 17 november 2006 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2007.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 21 december 2007 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, het door [wederpartij] tegen het besluit van 17 augustus 2006 gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard en dat besluit herroepen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. B.S. Slingerland en M. Dittmer, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [wederpartij], in persoon, bijgestaan door N.C. Samara, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid, van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW) behoort tot de bevoegdheid van het college tot toepassing van bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.

Ingevolge artikel 172, eerste lid, worden tot de kosten, verbonden aan de toepassing van bestuursdwang als bedoeld in artikel 170, eerste lid, gerekend:

a. de kosten die verband houden met de overbrenging en bewaring;

b. de kosten die verband houden met de bekendmaking van de beschikking tot overbrenging en inbewaringstelling, en

c. de kosten van verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging.

Ingevolge het derde lid betalen burgemeester en wethouders het bedrag van de kosten, verbonden aan de toepassing van bestuursdwang, terug, indien:

a. niet tot overbrenging en inbewaringstelling had mogen worden overgegaan;

b. de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan, van dien aard waren dat de kosten redelijkerwijs niet verschuldigd zijn, of

c. aannemelijk is dat het voertuig tegen de wil van de rechthebbende is gebruikt en hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.

Ingevolge artikel 173, eerste lid, aanhef en onder a, worden bij algemene maatregel van bestuur de soorten van de in artikel 170, eerste lid, onderdeel c, bedoelde weggedeelten en wegen aangewezen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel worden bij gemeentelijke verordening nadere regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 170 tot en met 172 en de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur. Die regels betreffen in elk geval, wil het gemeentebestuur bestuursdwang kunnen toepassen in gevallen als bedoeld in artikel 170, eerste lid, onder c, ook de aanwijzing van de desbetreffende wegen en weggedeelten.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder h, van het Besluit wegslepen van voertuigen (hierna: het Besluit) zijn de soorten van weggedeelten en wegen, bedoeld in artikel 173, eerste lid, onderdeel a, van de WVW 1994, parkeergelegenheden voor vergunninghouders, aangeduid door bord E9 van bijlage 1 bij het RVV 1990.

Ingevolge artikel 2 van de Wegsleepverordening Zaanstad 2002 worden alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente aangewezen als wegen en weggedeelten, bedoeld in artikel 170, eerste lid, onder c van de wet, voor zover ze behoren tot een van de in artikel 2 van het besluit bedoelde soorten van wegen en weggedeelten.

Ingevolge artikel 24, vierde lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: het RVV) mag, indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E 4 tot en met E 13 van bijlage 1, is voorzien van parkeervakken, slechts in die vakken worden geparkeerd.

2.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 17 augustus 2006 heeft het college ten grondslag gelegd dat het voertuig van [wederpartij] op 8 augustus 2006 is weggesleept, omdat het zich in een met het bord E9 gemarkeerde parkeerzone met parkeervakken bevond en, in strijd met artikel 24, vierde lid, van het RVV, niet in een parkeervak stond geparkeerd, en het bovendien de vrije doorgang van het verkeer verhinderde. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen omstandigheden zijn die het rechtvaardigen dat de kosten voor het wegslepen van het voertuig in redelijkheid niet voor rekening van [wederpartij] komen.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 24, vierde lid, van het RVV is overtreden en verwijdering van het voertuig noodzakelijk was, vanwege de hinder die het opleverde voor de voertuigen voor invalidenvervoer die zich van en naar het parkeerterrein van het naastgelegen zorgcentrum begaven.

Bij het ongedaan maken van die overtreding is echter volgens de rechtbank het algemeen belang bij het vrijhouden van de weg voor de nood- en hulpdiensten dermate betrokken dat niet staande kan worden gehouden dat de kosten in redelijkheid voor rekening van [wederpartij] dienen te komen. De rechtbank verwijst in dat verband naar de uitspraak van de kantonrechter van 16 mei 2007 met zaaknr. 34161WM VERZ 07-509, waarin is geoordeeld dat bij [wederpartij] begrijpelijkerwijs het idee is ontstaan dat [locatie] een afzonderlijke parkeerzone is waarbinnen bij gebreke van parkeervakken gewoon langs de kant van de weg mag worden geparkeerd.

2.4. Het college komt uitsluitend op tegen het oordeel van de rechtbank dat de gemaakte kosten voor het wegslepen in redelijkheid niet voor rekening van [wederpartij] dienen te komen. Het betoogt in dat verband dat van [wederpartij], gezien het feit dat zij op [locatie] woont, mocht worden verwacht dat zij zich vergewiste van de ter plaatse geldende verkeersregels en dat haar interpretatie van [locatie] als nieuwe zone op grond van het bord E9 aan het begin van [locatie] voor haar rekening en risico dient te blijven, zodat geen sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 172, derde lid, van de WVW, die van dien aard zijn dat de kosten redelijkerwijs niet verschuldigd zijn. Het college betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft verwezen naar de uitspraak van de kantonrechter van 16 mei 2007, aangezien in die procedure een ander toetsingskader gold en deze uitspraak bovendien van later datum is dan het besluit op bezwaar. Voor zover de rechtbank heeft bedoeld af te wijken van het beginsel dat het besluit moet worden beoordeeld naar de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van dat besluit, heeft zij haar uitspraak onvoldoende gemotiveerd, aldus het college.

2.4.1. Tegen het oordeel van de rechtbank dat het college bevoegd was tot toepassing van bestuursdwang heeft [wederpartij] geen hoger beroep ingesteld. Niet in geschil is derhalve dat [wederpartij] haar voertuig had geparkeerd op een plek waar dat verboden was en op zodanige wijze dat verwijdering noodzakelijk was in verband met het vrijhouden van de weg voor het vervoer van en naar het parkeerterrein van het aan [locatie] gelegen zorgcentrum.

Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niet kan worden volgehouden dat [wederpartij] ten aanzien van de ontstane situatie geen enkel verwijt valt te maken of dat bij het ongedaan maken van de strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat moet worden geoordeeld dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor haar rekening zouden moeten komen. Daargelaten of [wederpartij] kan worden verweten dat zij op [locatie] aan de kant van de weg heeft geparkeerd, had [wederpartij] kunnen begrijpen dat de plaats waar haar voertuig aan de kant van de weg stond - vlakbij de uitrit van het parkeerterrein van het zorgcentrum - het verkeer, en dan met name de grotere voertuigen voor invalidenvervoer, dat de draai naar dat parkeerterrein moest maken, hinderde. Het college heeft in dit verband rekening mogen houden met het feit dat [wederpartij] reeds enkele jaren aan het plein woonde en derhalve van de vervoerssituatie ter plekke op de hoogte was.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 17 november 2006 van het college alsnog ongegrond verklaren.

Door de vernietiging van de aangevallen uitspraak komt de grondslag aan het besluit op bezwaar van 21 december 2007, dat ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bij de behandeling van het hoger beroep is betrokken, te ontvallen, zodat dit eveneens voor vernietiging in aanmerking komt.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 augustus 2007 in zaak nr. 07-109;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van 21 december 2007, kenmerk AWB/2006/0911 H. BEROEP Z/2007/83084.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Klein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008.

306-440.