Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2081

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200706314/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gorssel aan Dutchtone N.V. vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een antenne-installatie ten behoeve van mobiele telefonie op het perceel aan de Flierderweg tegenover nummer [locatie] te Eefde (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2008/122
Module Ruimtelijke ordening 2008/422
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706314/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2467 van de rechtbank Zutphen van 24 juli 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lochem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gorssel aan Dutchtone N.V. vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een antenne-installatie ten behoeve van mobiele telefonie op het perceel aan de Flierderweg tegenover nummer [locatie] te Eefde (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lochem, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Gorssel (hierna: het college), het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 21 januari 2003 (opnieuw) ongegrond verklaard, (opnieuw) aan Orange Nederland N.V., als rechtsopvolgster van Dutchtone N.V. (hierna: Orange), vrijstelling verleend voor het oprichten van een antenne-installatie ten behoeve van mobiele telefonie op het perceel en de aan Orange verleende bouwvergunning voor het oprichten van een antenne-installatie ten behoeve van mobiele telefonie op het perceel in stand gelaten.

Bij uitspraak van 24 juli 2007, verzonden op 26 juli 2007, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2007.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Orange een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2008, waar [appellant], in persoon, bijgestaan door mr. L.M.A. Schrieder, en het college, vertegenwoordigd door I. Booij, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar Orange, vertegenwoordigd door E. van Coolwijk en

U. Dannijs, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een 37,5 m hoge mast met een 3 m hoge antenne op het perceel. [appellant] is woonachtig aan de [locatie] te Eefde.

2.2. Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingplan "Buitengebied 1987" (hierna: bestemmingsplan), op grond waarvan op het perceel de bestemming "Houtwal" rust. Teneinde het bouwplan mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daartoe voert hij aan dat in de ruimtelijke onderbouwing niet is aangegeven waarom het bouwplan past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. Voorts is het bouwplan in strijd met het streekplan, aldus [appellant].

2.3.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover thans van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.3.2. De ruimtelijke onderbouwing is neergelegd in een voorstel van het college van 25 september 2006 aan de raad van de gemeente Lochem (hierna: de raad), waarmee de raad op dezelfde datum heeft ingestemd. In de ruimtelijke onderbouwing heeft het college een relatie gelegd met het geldende bestemmingsplan. Zoals het college ter zitting heeft betoogd, is het bouwplan planologisch aanvaardbaar geacht, nu de mast zo goed mogelijk landschappelijk kan worden ingepast in het woningarme gebied waarin het perceel is gelegen.

In de ruimtelijke onderbouwing is het bouwplan voorts getoetst aan het ten tijde van het besluit van 27 september 2006 geldende Streekplan 2005 (hierna: het streekplan). De uitkomst van deze toetsing is dat het perceel valt in het gebied dat is aangeduid als "Functioneel gebied" met de nadere aanduiding "Functioneel landschap/Extensivering intensieve veehouderij". Het streekplan voorziet niet in nader te stellen eisen aan masten in het buitengebied. Door het plaatsen van de mast direct nabij de spoorweg, in het bosperceel, wordt het landelijk karakter zo min mogelijk aangetast, aldus de ruimtelijke onderbouwing.

Nu ook ter zitting niet is aangetoond dat het perceel is gelegen in het gebied dat als "Ecologische hoofdstructuur en - verbindingszone" is aangemerkt, kan [appellant] niet worden gevolgd in zijn betoog dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met het streekplan.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de noodzaak van plaatsing van de antennemast. Volgens [appellant] is niet gebleken dat langs de spoorweg gaten en/of blinde vlekken in het dekkingsgebied van Orange bestaan. Daarnaast betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid van site-sharing of naar alternatieve locaties. Volgens [appellant] zou Orange gebruik kunnen maken van de bestaande KPN-mast aan de Scheuterdijk, dan wel bestaan er andere, geschiktere locaties voor het plaatsen van een antennemast.

2.4.1. Dit betoog faalt eveneens. Orange heeft door middel van dekkingskaarten voldoende inzichtelijk gemaakt dat het realiseren van het bouwplan nodig is voor het behalen van voldoende dekking langs de spoorweg en dat door gebruikmaking van de KPN-mast aan de Scheuterdijk onvoldoende dekking kan worden behaald. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college van de juistheid van deze dekkingskaarten mocht uitgaan.

Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college dient te beslissen omtrent het bouwplan zoals het is ingediend. Indien het bouwplan op zich aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

Niet aannemelijk is gemaakt dat daarvan in dit geval sprake is. In de ruimtelijke onderbouwing is weergegeven dat het moeilijk is om in het landelijk gebied een mast landschappelijk in te passen, indien geen gebruik kan worden gemaakt van bestaande opstelpunten, hoogspanningsmasten en dergelijke. Voorts is aangegeven dat gezocht wordt naar locaties waarbij de mast door opgaand groen aan de voet aan het zicht wordt onttrokken. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt verder dat het college samen met Orange onderzoek heeft gedaan naar mogelijke locaties. Gelet op de omstandigheid dat het perceel is gelegen in een woningarm gebied, de mast daar zo goed mogelijk landschappelijk kan worden ingepast en met de plaatsing op het perceel voldoende dekking langs de spoorweg kan worden bereikt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid voor deze locatie heeft kunnen kiezen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

2.5. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij het nemen van het besluit van 27 september 2006 geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de mast mede bedoeld is voor de plaatsing van UMTS-antennes en dat het college onvoldoende gewicht heeft toegekend aan gezondheidsrisico's door straling bij langdurig verblijf in de nabijheid van deze antennes.

2.5.1. [appellant] kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat het evident is dat de mast niet alleen voor een GSM-antenne wordt opgericht, maar juist en vooral voor UMTS-antennes. De bouwvergunning voor het oprichten van een antenne-installatie ten behoeve van mobiele telefonie is verleend overeenkomstig de aan dat besluit ten grondslag liggende bouwaanvraag en bouwtekening. Uit die stukken blijkt dat het gaat om een mast met een GSM-antenne. Ook in de ruimtelijke onderbouwing die ten grondslag is gelegd aan de verleende vrijstelling is daarvan uitgegaan. Het bouwplan waarvoor bouwvergunning is verleend ziet derhalve uitsluitend op een mast met een GSM-antenne. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 september 2006 in zaak nr. 200509851/1) doet de omstandigheid dat de mast op zichzelf geschikt is voor

UMTS-antennes en telecommunicatieaanbieders waarschijnlijk van die mogelijkheid gebruik zullen gaan maken, er niet aan af dat de eventuele plaatsing van UMTS-antennes buiten de reikwijdte van de verleende vergunning valt.

Anders dan [appellant] betoogt, behoefde het college met mogelijke gezondheidsrisico's van UMTS-straling dan ook geen rekening te houden. Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Steinebach-de Wit

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008

328-531.