Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2080

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200706217/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bungy Jump Holland B.V. (hierna: BJH) gemaakte bezwaar tegen het besluit van 13 juli 2000 tot verlening van een tijdelijke bouwvergunning voor een bungyjumpinstallatie en bijbehorende voorzieningen aan de Westerdoksdijk 44 te Amsterdam, waarbij is bepaald dat de instandhoudingstermijn eindigt op 31 december 2000, opnieuw ongegrond verklaard en het besluit van 13 juli 2000 in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706217/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bungy Jump Holland B.V., gevestigd te 's-Gravenhage,

appellante,

tegen de uitspraak in zaken nrs. 04/1922 en 04/2610 van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2007 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bungy Jump Holland B.V.

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bungy Jump Holland B.V. (hierna: BJH) gemaakte bezwaar tegen het besluit van 13 juli 2000 tot verlening van een tijdelijke bouwvergunning voor een bungyjumpinstallatie en bijbehorende voorzieningen aan de Westerdoksdijk 44 te Amsterdam, waarbij is bepaald dat de instandhoudingstermijn eindigt op 31 december 2000, opnieuw ongegrond verklaard en het besluit van 13 juli 2000 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 17 juli 2007, verzonden op 24 juli 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), voor zover thans nog van belang, het door BJH tegen het besluit van 1 februari 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft BJH bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 november 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

BJH heeft een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2007, waar BJH, vertegenwoordigd door mr. S.A. van der Velden, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.L. Loeb, advocaat te Amsterdam, en mr. J.C.H. van Dijk, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep betreft uitsluitend de volgens BJH door het college gedane toezegging een drietal "vaststaande feiten" in het besluit op bezwaar op te nemen.

BJH betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 1 februari 2006 geen melding behoefde te maken van drie volgens BJH vaststaande feiten, inhoudende a. dat aan BJH een permanente locatie is toegezegd, b. dat de permanente behoefte van BJH het college van meet af aan duidelijk was en c. dat het college BJH, overigens zonder haar daarin te kennen, door middel van het verlenen van een tijdelijke bouwvergunning ter wille heeft willen zijn. BJH stelt dat het college op 10 augustus 2004 heeft toegezegd dat deze feiten in het besluit op bezwaar zouden worden opgenomen. BJH stelt dat de rechtbank heeft miskend dat door het opnemen van deze feiten de rechtszekerheid niet in het geding komt, nu het opnemen van deze feiten in het besluit op bezwaar berust op een expliciete toezegging van het college. Volgens BJH zijn rechten van andere belanghebbenden dan partijen niet in het geding en staan deze derhalve evenmin weg aan het opnemen van voormeld drietal feiten.

2.1.1. Geconstateerd moet worden dat de overwegingen van de rechtbank geen betrekking hebben op de volgens BJH door het college gedane toezegging genoemde feiten in het besluit op bezwaar op te nemen. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Het al dan niet in het besluit op bezwaar van 1 februari 2006 vermelden van de door BJH genoemde feiten, wat daarvan ook zij, heeft, zoals ter zitting door BJH is bevestigd, geen betekenis voor het oordeel over de rechtmatigheid van het besluit van 13 juli 2000. Daarom behoefde de rechtbank er niet op in te gaan in haar uitspraak. Er is derhalve ook geen grond voor vernietiging van de uitspraak.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008

374.