Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2077

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200705954/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst (hierna: het college) [appellant] bouwvergunning geweigerd voor het vervangen van twee bijgebouwen door één nieuw bijgebouw op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705954/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 juli 2007 in zaak nr. 06/2330 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst (hierna: het college) [appellant] bouwvergunning geweigerd voor het vervangen van twee bijgebouwen door één nieuw bijgebouw op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 september 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juli 2007, verzonden op 12 juli 2007, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.J.R. Lutje Schipholt, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Jolink, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan heeft betrekking op de bouw van een schuur van 61,75 m² op het perceel (hierna: het bouwplan). Op het perceel bevinden zich naast de woning met een oppervlakte van 100 m², twee bijgebouwen van onderscheidenlijk 9 m² en 36 m² en een gebouw met een oppervlakte van 77 m².

2.2. Ingevolge het ter plaatse ten tijde van het besluit op bezwaar geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1982" (hierna: het bestemmingsplan) rustte op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied". Vast staat dat het bouwplan hiermee in strijd is.

2.3. Het college heeft blijkens het besluit op bezwaar geen vrijstelling voor het bouwplan willen verlenen, nu dit in strijd is met het inmiddels op 27 april 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2005" (hierna: het bestemmingsplan Buitengebied 2005). Volgens het college bedraagt de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen op het perceel vóór realisering van het bouwplan reeds 122 m², hetgeen meer is dan op grond van artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan Buitengebied 2005 zal zijn toegestaan.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen weigeren. Hiertoe voert hij aan dat de oppervlakte van het gebouw van 77 m² ten onrechte bij deze berekening wordt meegeteld, omdat ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 2005" dat gebouw niet moet worden aangemerkt als een bijgebouw, maar als een recreatiewoning.

2.4.1. Ingevolge het bestemmingsplan Buitengebied 2005 rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden".

Ingevolge artikel 1, sub 14, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan Buitengebied 2005, voor zover thans van belang, dient onder een bijgebouw een gebouw te worden verstaan, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen (recreatie)woning/stacaravan of gebouw waarin de (recreatie)woning is gelegen, doordat het zich daarvan onderscheidt door zijn constructie of afmetingen.

Ingevolge artikel 1, sub 33, dient onder een hoofdgebouw een gebouw te worden verstaan, dat gelet op de bestemming als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 1, sub 63, voor zover thans van belang, dient onder een recreatiewoning een permanent aanwezig gebouw te worden verstaan, bestemd om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar bewoond te worden, voor recreatieve doeleinden.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a en f, zijn de met deze bestemming aangewezen gronden onder meer bestemd voor woondoeleinden en recreatiewoningen.

Ter plaatse van het perceel is op de bij het bestemmingsplan Buitengebied 2005 behorende kaart de aanduiding "W" aangebracht.

Ingevolge artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder e, bezien in samenhang met de voor het perceel op de daarbij behorende kaart weergeven aanduiding "W", voor zover thans van belang, dient met betrekking tot de maatvoering van bijgebouwen aan het volgende te worden voldaan:

- gezamenlijke oppervlakte 75 m².

Ingevolge artikel 4, zesde lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, geldt ten aanzien van de gebouwen, zoals bedoeld in het eerste lid, sub f, dat ter plaatse van de aanduiding "RW"of "ST" op plankaart 1 maximaal één recreatiewoning aanwezig mag zijn. Deze aanduiding komt op de kaart niet voor ter plaatse van het perceel.

2.5. De rechtbank heeft terecht grond gevonden voor het oordeel dat het gebouw van 77 m2 dient te worden aangemerkt als een bijgebouw in de zin van artikel 1 sub 14 van de planvoorschriften van de planvoorschriften van het bestemmingsplan Buitengebied 2005. Niet in geschil is dat dat gebouw, een voormalige timmerwerkplaats, in de 50-er jaren van de vorige eeuw, als recreatiewoning in gebruik is genomen en als zodanig onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan viel en dat na een inspectie omstreeks 1990 is gebleken dat het gebouw niet meer voldeed aan de voor dit gebruik te stellen bouwtechnische eisen. Het college heeft daarom de toenmalige eigenaar voor de keuze gesteld het gebouw te slopen, dan wel dit gebruik te beëindigen. De toenmalige eigenaar heeft gekozen voor het laatste en vaststaat dat het bewuste gebouw nadien niet meer als recreatiewoning is gebruikt. Dat [appellant] heeft gesteld dat de commerciële verhuur toen weliswaar is beëindigd, maar dat hij het gebouw is blijven gebruiken als gastenverblijf voor familieleden, doet daar niet aan af, nu dit gebruik niet op één lijn kan worden gesteld met het gebruik voor recreatieve doeleinden. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat [appellant] geen rechtsmiddelen heeft aangewend toen het gebouw van 77 m2 in het bestemmingsplan Buitengebied 2005 niet als recreatiewoning werd bestemd, dient het gebouw niet als een recreatiewoning in de zin van artikel 1 sub 63 van de planvoorschriften van voormeld bestemmingsplan te worden beschouwd, maar als bijgebouw, in de zin van artikel 1 sub 14 van dezelfde planvoorschriften, dat, gelet op zijn constructie en afmetingen, in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan de woning, het hoofdgebouw op het perceel.

Het betoog van [appellant] dat het gebouw van 77 m2 op grond van het bij hem opgewekte vertrouwen als recreatiewoning in het bestemmingsplan Buitengebied 2005 opgenomen had behoren te worden, doet aan het voorgaande niet af, reeds omdat dit betrekking heeft op een andere procedure dan thans aan de orde.

Nu het gebouw van 77 m2 een bijgebouw als bedoeld in het bestemmingsplan Buitengebied 2005 betreft, heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het gezamenlijk oppervlakte aan bijgebouwen op het perceel vóór realisering van het bouwplan reeds 122 m² bedraagt, hetgeen meer is dan op grond van artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan Buitengebied 2005 zal zijn toegestaan. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het college de gevraagde vrijstelling in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008

270-543.