Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2074

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200705886/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Graafstroom (hierna: het college) aan de Nederlandse Projectcombinatie W.P.&N. B.V. (hierna: W.P.&N.) vrijstelling verleend voor het oprichten van vijf woningen met garage/berging op het perceel aan de Tolsteeg te Wijngaarden (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705886/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1178 van de rechtbank Dordrecht van 13 juli 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Graafstroom.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Graafstroom (hierna: het college) aan de Nederlandse Projectcombinatie W.P.&N. B.V. (hierna: W.P.&N.) vrijstelling verleend voor het oprichten van vijf woningen met garage/berging op het perceel aan de Tolsteeg te Wijngaarden (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 april 2006 heeft het college aan W.P.&N. een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van vijf woningen met garage/berging op het perceel.

Bij besluit van 14 augustus 2006 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover dat betrekking heeft op de verleende vrijstelling, het besluit van 3 april 2006 herroepen en wederom, onder wijziging van de grondslag van de vrijstelling, een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van vijf woningen met garage/berging op het perceel.

Bij uitspraak van 13 juli 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft W.P.&N. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2008, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door J. Arslan-van Holten en R. Stuij, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar W.P.&N., vertegenwoordigd door A.A. Aandewiel, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van één vrijstaande woning en vier twee-onder-een-kap-woningen op het perceel.

2.2. Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Dorpskern Wijngaarden" (hierna: het bestemmingsplan) op grond waarvan op het perceel de bestemming "Tuin" rust. Teneinde het bouwplan mogelijk te maken heeft het college bij het besluit op bezwaar van 14 augustus 2006 met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend.

2.3. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid van dit artikel wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen voor het bouwplan. Hetgeen hij daartoe aanvoert komt neer op een niet nader gemotiveerde herhaling van hetgeen hij daaromtrent in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgrond op goede gronden verworpen.

2.5. [appellant] betoogt eerst in hoger beroep dat bij gebruikmaking van de in artikel 19 van de WRO neergelegde bevoegdheid sprake moet zijn van een bestendige gedragslijn en dat deze hier ontbreekt. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom [appellant] deze grond niet reeds bij de rechtbank kon aanvoeren en hij dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Volgens [appellant] gaat het rapport "Ruimtelijke Onderbouwing Woningbouw Tolsteeg" van november 2005 (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) er ten onrechte vanuit dat het perceel is gelegen in de lintbebouwing van Wijngaarden. Daarnaast is in het najaar van 2006 gebleken dat er voldoende bouwlocaties binnen de gemeente Graafstroom bestaan, zodat in de ruimtelijke onderbouwing het belang van toename van het aantal woningen ten onrechte gesteld is boven het belang van een beperkte aantasting van de ruimtelijke kwaliteit, aldus [appellant].

2.6.1. Ter zitting is aan de hand van kaarten en foto's vastgesteld dat het perceel is gelegen in het lintbebouwingsgebied van Wijngaarden. Het betoog van [appellant] dat de ruimtelijke onderbouwing er ten onrechte vanuit gaat dat het perceel in de lintbebouwing van Wijngaarden is gelegen, faalt derhalve.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in de ruimtelijke onderbouwing uitvoerig is ingegaan op het bouwplan in relatie tot de bestaande planologische mogelijkheden binnen de bestemming "Tuin". Daarmee is een afdoende beschrijving gegeven van de stedenbouwkundige inbreuk in verhouding tot het planologische regime. Anders dan [appellant] betoogt, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten tijde van het besluit van 14 augustus 2006 niet in redelijkheid het belang van toename van het aantal woningen heeft mogen stellen boven het belang van een beperkte aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. De omstandigheid dat na het besluit op bezwaar zou zijn gebleken dat in de gemeente Graafstroom voldoende bouwlocaties bestaan, leidt, wat daar verder van zij, niet tot een ander oordeel.

Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

2.7. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Daartoe voert hij aan dat het college het bouwplan ten onrechte heeft getoetst aan hoofdstuk 4.3.6 van de Welstandsnota Graafstroom (hierna: de welstandsnota) dat ziet op de lint Wijngaarden. Volgens [appellant] had het college het bouwplan moeten toetsen aan hoofdstuk 4.3.17 van de welstandsnota dat ziet op landelijk gebied, dan wel had het college moeten motiveren waarom hij is afgeweken van het in de welstandsnota opgenomen beleid.

2.7.1. Het college heeft aan zijn besluit van 14 augustus 2006 het positieve advies van de welstandscommissie van de stichting Dorp, Stad & Land van 5 januari 2005 ten grondslag gelegd.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 maart 2006 in zaak nr. 200506325/1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

Zoals onder 2.6.1. reeds is overwogen, is ter zitting vastgesteld dat het perceel is gelegen in het lintbebouwingsgebied van Wijngaarden. Het bouwplan is derhalve terecht getoetst aan het op de lint Wijngaarden betrekking hebbende hoofdstuk uit de welstandsnota. De omstandigheid dat in bijlage 1 van de welstandsnota bij de Tolsteeg wordt verwezen naar deelgebied 17 (landelijk gebied), leidt niet tot een ander oordeel, nu van deze indicatieve verwijzing kan worden afgeweken. Anders dan [appellant] betoogt, blijkt uit hoofdstuk 4.3.6 van de welstandsnota niet dat op het perceel maximaal twee lage vrijstaande woningen mogen worden gebouwd. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat het welstandsadvies naar inhoud en wijze van totstandkoming ervan zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn besluit van 14 augustus 2006 ten grondslag heeft mogen leggen, faalt het betoog.

2.8. Hetgeen [appellant] betoogt ten aanzien van de onveilige verkeerssituatie, de parkeeroverlast en het onderzoek naar flora en fauna op het perceel, komt neer op een niet nader gemotiveerde herhaling van hetgeen hij daaromtrent in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden op goede gronden verworpen.

2.9. De rechtbank heeft ten slotte met juistheid overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling. Door het zicht dat [appellant] vanuit zijn woning op de beoogde bouw zal krijgen, wordt hij niet onevenredig in zijn belangen geschaad.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008

328-531.