Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2073

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
200707383/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2007, nummer 1284627, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Drimmelen (hierna: de raad) bij besluit van 28 september 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Kern Terheijden".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/881
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707383/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. Winkeliersvereniging De Molenwinkeliers, gevestigd te Drimmelen,

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2007, nummer 1284627, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Drimmelen (hierna: de raad) bij besluit van 28 september 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Kern Terheijden".

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 oktober 2007, Winkeliersvereniging De Molenwinkeliers (hierna: Molenwinkeliers) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 november 2007, [appellant sub 3] per faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2007, en [appellant sub 4] per faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2007, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2007.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. Dit stuk is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 april 2008, waar [appellant sub 1 A], Molenwinkeliers, vertegenwoordigd door [voorzitter van de vereniging], en [appellant sub 3] en [appellant sub 4], beiden vertegenwoordigd door mr. F.J.J. van West de Veer, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad als partij gehoord, vertegenwoordigd door R. Poot, ambtenaar in dienst van de gemeente, en H.T.M. Bakker, wethouder.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 1]

2.2. Het college heeft goedkeuring onthouden aan de aanduiding 'detailhandel toegestaan' die is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" dat betrekking heeft op de gronden aan de [locatie 1]. Het college heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat het gemeentelijk en het provinciaal beleid uitgaan van concentratie van detailhandel in het centrumgebied. Het perceel aan de [locatie 1] valt buiten dit centrumgebied. Nieuwvestiging buiten het centrumgebied moet volgens het college worden tegengegaan. Daarnaast zijn er geen redenen om van dit beleid af te wijken, aldus het college.

2.2.1. [appellanten sub 1] komen op tegen deze onthouding van goedkeuring. Zij stellen dat op het perceel [locatie 1] wel detailhandel moet worden toegestaan. Hiertoe voeren zij aan dat tot en met september 2005 op dit perceel nog detailhandel aanwezig was en dat de percelen [locatie 1 en 2] zijn aangekocht om voor hun zoon in een woon- en winkelruimte te voorzien. Voorts stellen [appellanten sub 1] dat zij door de onthouding van goedkeuring aan de aanduiding grote planschade zullen lijden. Zij brengen daarnaast naar voren dat hun bedrijf inmiddels is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel met als adres [locatie 1].

2.2.2. In paragraaf 3.3.6 van het streekplan Brabant in Balans (2002) is vermeld dat het provinciaal beleid erop is gericht detailhandelsvoorzieningen te concentreren in binnenstedelijke en buurtgebonden winkelconcentratiegebieden.

Op pagina 20 van de plantoelichting is vermeld dat het deel van de Hoofdstraat tussen de Zeggelaan en de Markstraat is te beschouwen als het centrumgebied van het dorp met een concentratie van diverse functies en voorzieningen. Voorts is daar vermeld dat in het plan voornamelijk de toegestane functies zijn opgenomen zoals die bestonden op het moment van de terinzagelegging van dit plan.

2.2.3. Vaststaat dat het pand aan de [locatie 1] buiten het centrumgebied van Terheijden ligt. Tevens staat vast dat ten tijde van het vaststellingsbesluit en het besluit omtrent goedkeuring in het pand aan de [locatie 1] geen detailhandel plaatsvond. Voorts blijkt uit de reactie van de raad op de naar voren gebrachte zienswijzen dat ook ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan in het pand aan de [locatie 1] geen detailhandel plaatsvond.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanduiding in strijd is met het voornoemde provinciaal beleid en de beleidsuitgangspunten van het plan. Het feit dat de onderneming inmiddels is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel maakt dit niet anders, omdat de feitelijke situatie ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan bepalend is.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de panden aan de [locatie 1 en 2] betreft, is de Afdeling van oordeel dat [appellanten sub 1] niet aannemelijk hebben gemaakt dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groot gewicht had moeten toekennen.

Het beroep van [appellanten sub 1] geeft, gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor het oordeel dat het college in dit geval niet in redelijkheid aan het provinciaal beleid heeft kunnen vasthouden.

2.2.3.1. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het planonderdeel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 1] is ongegrond.

Het beroep van Molenwinkeliers

2.3. Molenwinkeliers stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel dat betrekking heeft op de groenstrook aan de Hofjesweg. Molenwinkeliers stelt hiertoe dat hoewel aan de parkeernormen wordt voldaan, in het centrum feitelijk sprake is van parkeerproblemen. Daarom moet de groenstrook aan de Hofjesweg beschikbaar blijven voor parkeren, desnoods via een wijzigingsbevoegdheid. Voorts stelt Molenwinkeliers dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 3 van de planvoorschriften voor zover dat voorziet in een maximaal bebouwingspercentage van 60%, omdat dit bebouwingspercentage arbitrair is. Dit percentage gaat ook tegen het provinciaal en gemeentelijk beleid in dat de beschikbare ruimte in verstedelijkt gebied zo intensief mogelijk moet worden benut. Tevens is onduidelijk in welke gevallen aan een verruiming van de mogelijkheden via de in het plan opgenomen vrijstelling zal worden meegewerkt, aldus Molenwinkeliers.

2.3.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de onderzoeken blijkt dat aan de parkeernormen wordt voldaan. Daarom heeft het college het plan in zoverre goedgekeurd. Voorts heeft het college zich met de gemeenteraad op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om op voorhand ruimere bouwmogelijkheden te creëren. Het college heeft het plan ook op dit punt goedgekeurd.

2.3.2. Het plan voorziet voor het plandeel aan de Hofjesweg naast Elzenhof 9 in de bestemming "Groenvoorzieningen". Uit artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften volgt dat parkeren op gronden met deze bestemming niet is toegestaan. De Afdeling stelt vast dat Molenwinkeliers niet betwist dat aan de parkeernormen wordt voldaan. Het college heeft zich dan ook in zoverre in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestemming van het bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Over de stelling van Molenwinkeliers dat zich feitelijk parkeerproblemen kunnen voordoen, overweegt de Afdeling dat het in een centrumgebied onvermijdelijk is dat speciale evenementen tijdelijk een extra druk op de parkeervoorzieningen veroorzaken. Hieruit volgt niet dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan met betrekking tot de parkeervoorzieningen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Voor zover Molenwinkeliers nog aanvoert dat het bestreden plandeel in het vorige plan ook (mede) bestemd was voor parkeren, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

2.3.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b., van de planvoorschriften zijn de als "Gemengde Doeleinden" op de plankaart aangewezen gronden onder meer bestemd voor detailhandel.

Ingevolge lid 3.3, onder 3.3.2, sub b, van dit artikel mag het bebouwingspercentage per bouwperceel niet meer bedragen dan 60%, tenzij anders op de plankaart aangegeven. Indien het bestaande bebouwingspercentage hoger is, dan mag het bestaande bebouwingspercentage worden gehandhaafd. Ingevolge artikel 21, lid 21.1, onder 21.1.1, aanhef en sub a., van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd hiervan vrijstelling te verlenen voor vergroting van het bebouwingspercentage met maximaal 10%-punt ten opzichte van het direct toegestane percentage.

2.3.4. Blijkens de plankaart bevinden zich in het centrumgebied veel gebouwen die een monumentale status hebben. Voorts stelt de Afdeling vast dat het een overwegend conserverend plan betreft. Gelet hierop en op het feit dat niet is gebleken van concrete bouwplannen, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een bebouwingspercentage van 60% voldoende mogelijkheden biedt.

Daarbij is in aanmerking genomen dat ingevolge de vrijstellingsregeling nog 10% extra uitbreidingsmogelijkheid bestaat. In lid 21.1.2 van artikel 21 van de planvoorschriften zijn de voorwaarden vermeld waaraan een bouwplan moet voldoen om in aanmerking te komen voor de vrijstelling. Deze voorwaarden zijn naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk en objectief begrensd. Tevens is hierbij betrokken dat de gemeenteraad ter zitting heeft bevestigd dat individuele verzoeken om met toepassing van artikel 19 van de WRO door middel van een vrijstelling van het bestemmingsplan een grotere uitbreiding toe te staan, niet op voorhand zullen worden afgewezen, mochten dergelijke verzoeken worden gedaan.

2.3.4.1. De conclusie is dat hetgeen Molenwinkeliers heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van Molenwinkeliers is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4]

2.4. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] stellen zich op het standpunt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid I' die betrekking heeft op gronden aan het Oranjeplein en aan de Brabantstraat. Zij stellen dat hun woongenot onevenredig zal worden aangetast vanwege een toename van geluidsoverlast, verkeershinder, luchtkwaliteit en parkeerproblematiek. Ook zal het groene uitzicht verdwijnen. [appellant sub 3] vreest voorts dat hij zijn woning zal kwijtraken indien het gemeentebestuur toepassing geeft aan de wijzigingsbevoegdheid. [appellant sub 4] stelt verder dat zijn privacy zal worden aangetast en dat de bezonning en lichtinval zullen worden beperkt. Beiden voeren nog aan dat het college bij zijn bestreden besluit geen rekening heeft gehouden met hun belangen.

2.4.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de wijzigingsbevoegdheid niet op voorhand tot een onwenselijke ruimtelijke situatie leidt en heeft daarom goedkeuring verleend aan dit planonderdeel. Nadere invulling van het terrein waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet, moet nog plaatsvinden en bebouwings-dichtheden zijn binnen de bebouwde kom per definitie hoger, aldus het college. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] kunnen in het kader van de wijzigingsprocedure nog voor hun belangen opkomen. Voorts geven de wijzigingscriteria naar de mening van het college voldoende garanties dat aspecten als parkeren en luchtkwaliteit zullen worden getoetst. Door deze regeling worden [appellant sub 3] en [appellant sub 4] niet onevenredig in hun belangen benadeeld, aldus het college.

2.4.2. Met toepassing van de in artikel 22, lid 22.2, van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid I kan de raad de bestemmingen "Woondoeleinden", "Maatschappelijke Doeleinden", "Groenvoorzieningen" en/of "Verblijfsdoeleinden" wijzigen in de bestemmingen "Woondoeleinden", "Maatschappelijke Doeleinden" en/of "Verblijfsdoeleinden".

De woning van [appellant sub 3] aan [locatie 3] heeft de bestemming "Woondoeleinden" en maakt onderdeel uit van een gedeelte van het plangebied met de aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid I'. [appellant sub 4] woont aan de [locatie 4]. Zijn perceel grenst direct aan een plandeel aan de Brabantstraat met de aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid I'.

Op pagina 22 van de plantoelichting is vermeld dat aan de Brabantstraat grondgebonden woningen en appartementen zullen worden gerealiseerd. Aan het Oranjeplein zijn een bibliotheek en een school gepland, beide gecombineerd met appartementen.

2.4.3. Omdat met het bestaan van een door het college goedgekeurde wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied als een gegeven mag worden beschouwd, dient bij dit plan te worden bezien of de met deze wijzigingsbevoegdheid beoogde ontwikkeling in beginsel aanvaardbaar is. De wijzigingsbevoegdheid zal worden gebruikt ten behoeve van de ontwikkeling van woningen, een bibliotheek en een school. In hetgeen [appellant sub 3] en [appellant sub 4] naar voren hebben gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de wijzigingsbevoegdheid niet op voorhand tot een onwenselijke ruimtelijke situatie leidt. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hun beroepsgronden met betrekking tot geluid, verkeer, luchtkwaliteit, parkeerproblematiek, uitzicht, privacy en bezonning op geen enkele wijze hebben onderbouwd.

2.4.3.1. Niet in geschil is dat de woning van [appellant sub 3] in het plan als zodanig is bestemd. Het plan staat dan ook niet aan de voortzetting van het gebruik van de woning van [appellant sub 3] in de weg, noch dwingt het plan [appellant sub 3] tot verkoop van zijn woning en gronden.

Met de in artikel 11 van de WRO opgenomen wijzigingsbevoegdheid wordt beoogd te voorzien in een mogelijkheid het plan op soepele wijze aan te passen aan zich wijzigende omstandigheden, die bij de totstandkoming nog niet bekend waren of konden zijn. Dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een nauwkeurig inzicht in de uitvoerbaarheid van de wijzigingen met betrekking tot geluid, verkeer, luchtkwaliteit, parkeerproblematiek, uitzicht, privacy en bezonning ontbrak, staat derhalve, anders dan [appellant sub 3] en [appellant sub 4] stellen, niet in de weg aan het opnemen van deze wijzigingsbevoegdheid. Hun desbetreffende bezwaren kunnen pas aan de orde komen in de procedure inzake wijziging van de bestemming.

2.4.3.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de betwiste planonderdelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008

177-545.