Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD1592

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
200800546/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / Dublinclaimant / belangenafweging / motiveringsgebrek

Ten tijde van het nemen van het besluit tot inbewaringstelling noch tijdens de procedure in eerste aanleg is gebleken dat de staatssecretaris uitdrukkelijk het standpunt heeft ingenomen dat de belangenafweging, met toepassing van paragraaf A6/5.3.3.6 van de Vc 2000, in het voordeel van de staatssecretaris reeds gegeven is, nu het gevaar dat de vreemdeling zich aan de uitzetting zal onttrekken bij Dublinclaimanten in beginsel altijd aanwezig is. De enkele verwijzing naar de omstandigheid dat de vreemdeling zich na aankomst in Griekenland niet bij de autoriteiten heeft gemeld om aldaar te kennen te geven een asielaanvraag te willen indienen, is hiervoor onvoldoende. Door naast de bewaringsgronden enkel te verwijzen naar die omstandigheid, heeft de staatssecretaris, gelet op de volgens paragraaf A6/5.3.3.5 van de Vc 2000 vereiste concrete afweging, evenmin voldoende gemotiveerd waarom hij de met de maatregel van bewaring gediende belangen zwaarder heeft laten wegen dan het belang van de vreemdeling. Dit gebrek in de motivering van het besluit tot inbewaringstelling kan niet door een uiteenzetting ter zitting in hoger beroep worden hersteld. De inbewaringstelling is dan ook van meet af aan onrechtmatig te achten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 4.21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/269 met annotatie van PJAMB

Uitspraak

200800546/1.

Datum uitspraak: 25 april 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 08/420 van de rechtbank 's Gravenhage van 15 januari 2008 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2007 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 januari 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 januari 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2008, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door A. van de Burgt, ambtenaar in dienst van het ministerie, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bepaalde bij artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, verklaart de rechtbank het beroep gegrond, indien zij bij het beroep van oordeel is dat de toepassing van de bewaring in strijd is met deze wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing ervan.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, kan, indien het belang van de openbare orde zulks vordert, met het oog op de uitzetting, de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g en h, van deze wet in bewaring worden gesteld.

Volgens paragraaf A6/5.3.3.5. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), voor zover thans van belang, dient het toepassen van bewaring bij vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in willen dienen of ingediend hebben, zo beperkt mogelijk te geschieden. Het kan hierbij gaan om vreemdelingen die een dergelijke aanvraag indienen of ingediend hebben en waarvan bijvoorbeeld om redenen van manifest bedrog of andere gronden genoemd in A6/5.3.3.1 aangenomen kan worden dat zij zich aan de eventuele uitzetting zullen gaan onttrekken. Ook kan het voorkomen dat een vreemdeling eerst nadat hij in bewaring is gesteld een asielaanvraag indient. In beide gevallen zal aan de hand van de daarbij bekend geworden feiten en omstandigheden bijvoorbeeld in het nader gehoor, een concrete afweging gemaakt moeten worden met betrekking tot het toepassen van de maatregel in relatie tot de asielaanvraag, aldus dit onderdeel.

Volgens paragraaf A6/5.3.3.6 van de Vc 2000 is het mogelijk om een Dublinclaimant op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000 of artikel 59, eerste én tweede lid, van de Vw 2000 in bewaring te stellen. Ook voor de toepassing van deze bewaringsgrond is het noodzakelijk dat er een belangenafweging plaatsvindt (zie A6/5.3.3.5). Bij overname- en terugnameverzoeken is de belangenafweging echter in beginsel al gegeven, nu de betrokken vreemdeling reeds eerder is vertrokken uit de lidstaat zonder af te wachten welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek (overname), dan wel uit de lidstaat is vertrokken die zich reeds verantwoordelijk had verklaard voor de behandeling van zijn asielverzoek (terugname). Het gegeven dat er gevaar bestaat dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht voordat de overdracht geëffectueerd kan worden, is dus in beginsel altijd aanwezig bij Dublinclaimanten.

2.2. Voor het besluit van 30 december 2007 is gebruik gemaakt van een formulier met het opschrift Model M110-A. Op dit formulier is als categorie voor de bewaring vermeld: "artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000". Naast deze aanduiding zijn de overwegingen vermeld op grond waarvan de maatregel in dit geval is gelast, te weten:

"het belang van de openbare orde vordert de inbewaringstelling: wegens het vermoeden van onttrekking aan uitzetting, omdat de vreemdeling:

- niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000);

- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan om in zijn levensonderhoud te voorzien dan wel om zijn terugreis te bekostigen.

2.3. In de enige grief klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank, door te overwegen dat de grond dat de vreemdeling geen vaste woon- of verblijfplaats heeft ten onrechte aan de bewaring ten grondslag is gelegd, buiten de grenzen van het geschil is getreden en daarmee ten onrechte de bewaring van aanvang af onrechtmatig heeft geacht wegens het ontbreken van voldoende gronden om de maatregel te rechtvaardigen.

2.3.1. Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

2.3.2. Uit de stukken, waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting in eerste aanleg, blijkt niet dat de vreemdeling het aanvoeren van voormelde grond voor de inbewaringstelling heeft bestreden. Evenmin was de rechtbank bevoegd het besluit tot inbewaringstelling in zoverre ambtshalve te toetsen, nu geen sprake is van de toepassing van een voorschrift van openbare orde. Derhalve is de rechtbank buiten de grenzen van het geschil getreden en heeft zij artikel 8:69, eerste lid, van de Awb geschonden.

In zoverre slaagt de grief. Hetgeen voor het overige in de grief is aangevoerd, behoeft geen bespreking.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 30 december 2007 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden.

2.5. In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat hij zich niet bevindt in een bijzondere situatie op grond waarvan hij, die een asielaanvraag heeft ingediend, in bewaring kon worden gesteld.

2.5.1. Ten tijde van het nemen van het besluit tot inbewaringstelling noch tijdens de procedure in eerste aanleg is gebleken dat de staatssecretaris uitdrukkelijk het standpunt heeft ingenomen dat de belangenafweging, met toepassing van paragraaf A6/5.3.3.6 van de Vc 2000, in het voordeel van de staatssecretaris reeds gegeven is, nu het gevaar dat de vreemdeling zich aan de uitzetting zal onttrekken bij Dublinclaimanten in beginsel altijd aanwezig is. De enkele verwijzing naar de omstandigheid dat de vreemdeling zich na aankomst in Griekenland niet bij de autoriteiten heeft gemeld om aldaar te kennen te geven een asielaanvraag te willen indienen, is hiervoor onvoldoende.

Door naast de bewaringsgronden enkel te verwijzen naar die omstandigheid, heeft de staatssecretaris, gelet op de volgens paragraaf A6/5.3.3.5 van de Vc 2000 vereiste concrete afweging, evenmin voldoende gemotiveerd waarom hij de met de maatregel van bewaring gediende belangen zwaarder heeft laten wegen dan het belang van de vreemdeling. Dit gebrek in de motivering van het besluit tot inbewaringstelling kan niet door een uiteenzetting ter zitting in hoger beroep worden hersteld. De inbewaringstelling is dan ook van meet af aan onrechtmatig te achten.

De beroepsgrond slaagt.

2.6. De Afdeling zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 30 december 2007 gegrond verklaren. De andere beroepsgrond behoeft geen bespreking.

Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 30 december 2007 tot 15 januari 2008, de dag waarop de inbewaringstelling van de vreemdeling is opgeheven.

2.7. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 januari 2008 in zaak nr. 08/420;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) om aan de vreemdeling te betalen een vergoeding van € 1.145,00 (zegge: elfhonderdvijfenveertig euro);

V. veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Roosmalen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2008

53-549.

Verzonden: 25 april 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak