Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD1486

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
14-05-2008
Zaaknummer
200706597/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (hierna: het college) de aanvraag van [wederpartij sub 1] om een uitwegvergunning voor het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706597/1.

Datum uitspraak: 14 mei 2008.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1096 van de rechtbank Arnhem van 3 augustus 2007 in het geding tussen:

1. [wederpartij sub 1]

2. [appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (hierna: het college) de aanvraag van [wederpartij sub 1] om een uitwegvergunning voor het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Bij besluit van 31 januari 2007 heeft het college het door [wederpartij sub 1] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 augustus 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. G.H.M. Smelt, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C.J. Kasteel en A.P.M. Slieker, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.1.5.3., eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor Arnhem (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van het college:

a. een uitweg te maken naar de weg;

b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

Ingevolge artikel 2.1.5.3., derde lid, aanhef en onder b, kan een vergunning worden geweigerd in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg.

Ingevolge artikel 135, derde lid, van de APV - dat gold van 21 juni 1976 tot 1 december 1982 - was het verboden:

a. een uitweg te maken aan de weg;

b. van de weg gebruik te maken voor het maken of het hebben van een uitrit;

c. verandering te brengen in een bestaande uitweg aan de weg.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: het RVV) gebruiken andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 de rijbaan. Deze bestuurders en voetgangers die een aanhangwagen voortbewegen die kennelijk bestemd is om door een motorvoertuig te worden voortbewogen, mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.

Ingevolge het tweede lid mogen andere bestuurders dan fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig fietsstroken met doorgetrokken strepen niet gebruiken.

2.2. Het college heeft in het besluit op bezwaar van 31 januari 2007 de afwijzing van de aanvraag op grond van artikel 2.1.5.3., derde lid, aanhef en onder b, van de APV, gebaseerd op het advies van de korpschef van de politieregio Gelderland-Midden van 23 juni 2005 en het ongedateerde advies van verkeersdeskundige A. Uil van de Afdeling Verkeer van de gemeente Arnhem.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat in de APV geen overgangsbepaling is opgenomen op grond waarvan de op 21 juni 1976 bestaande uitwegen van het in artikel 135, derde lid, van de APV neergelegde verbod een uitweg te maken aan de weg werden uitgezonderd, noch een bepaling op grond waarvan voor die uitwegen geacht wordt een ontheffing van dat verbod te zijn verleend. Op grond daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat ook ten behoeve van bestaande uitwegen een ontheffing was vereist. Zij heeft voorts overwogen dat overigens ook niet aannemelijk is geworden dat [appellant] op 21 juni 1976 over een uitweg beschikte.

[appellant] heeft naar het oordeel van de rechtbank weliswaar een bijzonder belang bij een uitwegvergunning, aangezien het hem krachtens planologisch overgangsrecht is toegestaan om auto's te parkeren op zijn perceel. Zij is evenwel van oordeel dat het college het zwaarwegende belang bij waarborging van de verkeersveiligheid op de betrokken gebiedsontsluitingsweg en het doelmatig gebruik van deze weg en de singels rond het centrum in redelijkheid heeft mogen laten prevaleren. Het college heeft daarom in redelijkheid de gevraagde vergunning op grond van artikel 2.1.5.3., derde lid, aanhef en onder b, van de APV kunnen weigeren, aldus de rechtbank.

2.4. [appellant] betoogt dat het verbod een uitweg te maken niet geldt voor uitwegen die reeds bestonden op 21 juni 1976, de datum waarop de verbodsbepaling van artikel 135, derde lid, van de APV in werking is getreden.

Voor het perceel aan de [locatie] was reeds vóór 21 juni 1976 een uitweg beschikbaar, zo stelt hij. Hiertoe verwijst hij naar de door hem overgelegde verklaringen en betoogt hij dat het bestaan van een uitweg los staat van de aanwezigheid van een verlaagde trottoirband en/of andere voorzieningen.

Voor het geval het verbod van toepassing is, voert hij aan dat hij op grond van overgangsrecht moet worden geacht over een ontheffing te beschikken. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst hij naar een brief van gedeputeerde staten van Gelderland van 22 maart 1976, waarin te kennen is gegeven dat de provincie er van uitgaat dat voor het gebruikmaken van de weg voor het hebben van een uitrit ten tijde van het van kracht worden van bedoelde bepaling een ontheffing wordt geacht te zijn verleend. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de redactie van artikel 135, derde lid, van de APV volgt dat, bij gebreke van overgangsrecht, ook ten behoeve van bestaande uitwegen een ontheffing was vereist.

Subsidiair betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte niet tot verlening van de uitwegvergunning is overgegaan en dat zij ten onrechte niet heeft geoordeeld dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Daartoe voert hij aan dat een reactie van het college op hetgeen hij heeft aangedragen, in het bijzonder over het bijna gelijktijdig op rood staan van verkeerslichten, ontbreekt, dat het gaat om een situatie die reeds lange tijd bestaat en dat het college zijn beroep op rechtsverwerking ten onrechte heeft afgewezen met het argument dat van een uitweg geen sprake was, zodat ook bestuurlijk optreden niet tot de mogelijkheden behoorde.

Tot slot merkt [appellant] op dat de weigering van een uitwegvergunning zijn recht op parkeren in de voortuin van het perceel aan de [locatie] illusoir maakt.

2.4.1. De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat [appellant] op 21 juni 1976 over een uitweg beschikte. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, maken de door [appellant] overgelegde getuigenverklaringen weliswaar aannemelijk dat vóór 21 juni 1976 al werd geparkeerd in de voortuin van het perceel [locatie] te [plaats], doch niet dat men daartoe ook over een uitweg beschikte. Anders dan [appellant] betoogt, is voor het bestaan van een uitweg als hier in geding bepalend dat het bestaan van de voorziening door de uiterlijke kenmerken daarvan voor de overige weggebruikers duidelijk kenbaar is. Doorgaans zullen ten behoeve van een uitweg fysieke voorzieningen zijn getroffen, zoals bijvoorbeeld een verlaagde trottoirband. Mede gelet op de ter zake toepasselijke regels bij en krachtens de Wegenverkeerswet 1994, waaronder artikel 10 van het RVV, is van een uitweg niet reeds sprake, indien men met de auto over een trottoir en eventueel een fietspad en een groenstrook heen rijdt om een perceel te bereiken. Daarvan uitgaande is niet gebleken, noch is door [appellant] aannemelijk gemaakt dat de in geding zijnde uitweg er was ten tijde van de inwerkingtreding van de eerste bepaling houdende het vereiste van een uitwegvergunning in de APV op 21 juni 1976. Of al dan niet sprake is van overgangsrecht kan daarom in het midden blijven. Nu [appellant] niet beschikte over een uitweg als hier in geding, moest om op het perceel te kunnen parkeren een uitwegvergunning worden aangevraagd.

[appellant] heeft belang bij verkrijging van een uitwegvergunning, aangezien het hem krachtens planologisch overgangsrecht is toegestaan om auto's te parkeren op zijn perceel. Dit impliceert echter niet dat die vergunning moet worden verleend. Het belang van [appellant] dient afgewogen te worden tegen het belang van de verkeersveiligheid en het doelmatig gebruik van de weg. In de beide adviezen waarop het bij de rechtbank bestreden besluit is gebaseerd, is gewezen op de omstandigheid dat de Zijpendaalseweg een gebiedsontsluitende functie heeft met als doelstelling de afwikkeling van grotere verkeersstromen, waaraan het realiseren van een uitweg afbreuk doet, omdat een uitweg altijd invloed heeft op de doorstroming en de veiligheid van het verkeer. Tegen het uitwegen bestaat blijkens deze adviezen te meer bezwaar, nu daartoe een voetpad en een fietspad dat onderdeel uitmaakt van het hoofdfietsnetwerk van Arnhem moeten worden doorkruist en de beoogde uitweg uitkomt op een relatief kort wegvlak tussen twee verkeerslichten. Volgens de adviezen vallen onverwachte verkeersbewegingen als die van voertuigen die een uitrit verlaten dan wel oprijden, niet binnen het verwachtingspatroon van de verkeersdeelnemers op een gebiedsontsluitingsweg en kan dit tot onveilige situaties leiden, ook al zijn de verkeerslichten aan elkaar gekoppeld. Ter zitting is de Afdeling voorts nog gebleken dat de uitweg zou uitkomen op de sorteervakken voor deze verkeerslichten.

[appellant] heeft de gemotiveerde adviezen van de korpschef en de verkeersdeskundige niet bestreden met een tegenadvies van een deskundige. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de adviezen zodanige gebreken vertonen dat het college deze niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft het college het belang bij waarborging van de verkeersveiligheid op de betrokkene gebiedsontsluitingsweg en het doelmatig gebruik van deze weg en de singels rond het centrum, zoals dit uit de adviezen naar voren komt, in redelijkheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van [appellant] bij een uitweg.

Ten aanzien van het betoog van [appellant] over het bestuurlijk optreden, wordt vastgesteld dat thans slechts de weigering van een uitwegvergunning voor het perceel [locatie] aan de orde is.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2008.

176-440.