Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD1475

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
14-05-2008
Zaaknummer
200706299/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 maart 2006 heeft de raad van de gemeente Spijkenisse (hierna: de raad) verzoeken van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/584
Module Ruimtelijke ordening 2008/4631
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706299/1.

Datum uitspraak: 14 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1],

2. [appellante sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaken nrs. 06/5161 en 07/14 van de rechtbank Rotterdam van 24 juli 2007 in het geding tussen:

1. [appellant sub 1],

2. [appellante sub 2]

en

de raad van de gemeente Spijkenisse.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2006 heeft de raad van de gemeente Spijkenisse (hierna: de raad) verzoeken van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij afzonderlijke besluiten van 15 november 2006 heeft de raad de door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juli 2007, verzonden op 25 juli 2007, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) de door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellante sub 2] bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2007, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 april 2008, waar [appellant sub 1] en [appellante sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. A. Bakker, en de raad, vertegenwoordigd door mrs. L.L. Scheppink en H.D.H.M. Kwik, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben verzocht om vergoeding van schade in de vorm van waardevermindering van hun woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats], ten gevolge van een besluit tot verlening van vrijstelling krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) ten behoeve van de bouw van een appartementencomplex, bestaande uit 21 woningen met bergingen, gelegen op drie meter afstand van hun achtertuinen.

2.1.1. Ingevolge artikel 49 van de WRO, zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 van de WRO schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.1.2. Bij de beoordeling van een verzoek om vergoeding van planschade dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt afgeweken moet worden.

2.1.3. Het bestemmingsplan "Schiekamp/Hoogwerf, herziening 1981" (hierna: het bestemmingsplan) is op 8 juli 1982 vastgesteld door de raad en op 8 november 1983 goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant. De gronden waarop het appartementencomplex is gerealiseerd zijn in het bestemmingsplan bestemd voor "bedrijven" met subbestemming "nutsbedrijven".

Ingevolge het bestemmingsplan bedraagt de maximaal toelaatbare goothoogte van bouwwerken op deze gronden vier meter, en mag deze slechts worden overschreden door hellende dakvlakken, topgevels, dakkapellen, schoorstenen, trappenhuizen en liftkokers.

Het bestemmingsplan bevat voorts nog een algemene vrijstellingsbevoegdheid op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen voor afwijkingen van het bestemmingsplan, inbegrepen bebouwingsgrenzen en -oppervlakten, ten einde de uitvoering van een bouwplan mogelijk te maken indien op grond van een definitieve uitmeting of in verband met de situering blijkt, dat aanpassing van het bestemmingsplan redelijk, gewenst of noodzakelijk is en de afwijking van zo ondergeschikte aard blijft dat de structuur van het bestemmingsplan en de belangen van derden niet worden geschaad.

2.1.4. Het college van burgemeester en wethouders van Spijkenisse heeft bij besluit van 12 november 2002 na vrijstelling krachtens artikel 19 van de WRO een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een appartementencomplex met een goothoogte en nokhoogte van 8.40 meter. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

2.1.5. De raad heeft de planschadeverzoeken van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] conform adviezen van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SOAZ) van september 2005 afgewezen omdat de oprichting van het appartementencomplex [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in planologisch opzicht niet in een nadeliger situatie heeft gebracht, zodat geen sprake is van schade in de zin van artikel 49 van de WRO. Het college heeft deze afwijzingen bij de besluiten op bezwaar gehandhaafd.

2.2. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan de hoogtebepaling in de gemeentelijke bouwverordening aanvullende werking toekomt ten opzichte van de voorschriften van het bestemmingsplan.

2.2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in de voorschriften van het bestemmingsplan geen definitie is opgenomen van het begrip bouwhoogte, dat daarin slechts een bepaling met betrekking tot de maximaal toelaatbare goothoogte is opgenomen en geen bepalingen met betrekking tot de maximaal toelaatbare bouwhoogte. De rechtbank heeft overwogen dat de hoogtebepaling in de bouwverordening derhalve aanvullende werking heeft, zodat de maximaal toegestane bouwhoogte vijftien meter bedraagt, hetgeen [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben bestreden. Nu op grond van het bestemmingsplan evenwel ook reeds een bouwwerk met een bouwhoogte van vijftien meter kon worden gerealiseerd, vanwege de daarin opgenomen mogelijkheid om de voor een bouwwerk toegestane goothoogte van vier meter te overschrijden met hellende dakvlakken, waarbij geen beperking is opgenomen wat betreft de hellingsgraad, kan in het midden worden gelaten of in dit geval aan de hoogtebepaling in de bouwverordening aanvullende werking toekwam. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben aangevoerd zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de realisatie van een bouwwerk met een bouwhoogte van vijftien meter met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet kon worden gerealiseerd. De raad heeft deze planologische mogelijkheid derhalve bij zijn besluitvorming op de verzoeken om schadevergoeding mogen betrekken. Het betoog faalt.

Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen [appellant sub 1] en [appellante sub 2] overigens hebben betoogd met betrekking tot de verbindende kracht van de hoogtebepaling in de bouwverordening geen bespreking.

2.3. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de algemene vrijstellingsbevoegdheid bij de planvergelijking betrokken dient te worden. Zij stellen dat deze vrijstellingsbevoegdheid ziet op geringe uitmetingsverschillen op het platte vlak, hetgeen in dit geval niet relevant is.

2.3.1. Hoewel [appellant sub 1] en [appellante sub 2] terecht stellen dat de algemene vrijstellingsmogelijkheid ziet op geringe afwijkingen, neemt dat niet weg dat deze vrijstellingsmogelijkheid bij de planvergelijking betrokken dient te worden. De raad heeft zich op basis van het advies van de SAOZ derhalve terecht op het standpunt gesteld dat bij de vergelijking tussen hetgeen maximaal kon en kan worden gerealiseerd betrokken dient te worden de omstandigheid dat op grond van de vrijstellingsbevoegdheid de bebouwing zij het in geringe mate meer in hun gezichtsveld opgericht kon worden. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen. Het betoog faalt.

2.4. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de raad de verzoeken met gebruikmaking van de SAOZ-adviezen heeft kunnen afwijzen. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de door de SAOZ uitgevoerde planvergelijking onvolledig en onjuist zou zijn, of dat die ten onrechte tot de conclusie heeft geleid dat zij niet in een nadeliger situatie zijn geraakt.

2.5. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Larsson-van Reijsen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2008

344.