Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD1093

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
200705509/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2006 heeft de raad van de gemeente Haarlem (hierna: de gemeenteraad) een verzoek van de stichting Stichting Islamitische Scholen El-Amal (hierna: de stichting) om de basisschool op islamitische grondslag "Al Ikhlaas" (hierna: de basisschool) op het plan van scholen 2007-2012 op te nemen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op het primair onderwijs
Wet op het primair onderwijs 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROT 2008/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705509/1.

Datum uitspraak: 7 mei 2008

 

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Islamitische Scholen El-Amal, gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2006 heeft de raad van de gemeente Haarlem (hierna: de gemeenteraad) een verzoek van de stichting Stichting Islamitische Scholen El-Amal (hierna: de stichting) om de basisschool op islamitische grondslag "Al Ikhlaas" (hierna: de basisschool) op het plan van scholen 2007-2012 op te nemen afgewezen.

Bij besluit van 25 juni 2007 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de staatssecretaris) het hiertegen door de stichting ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2007.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2008, waar de stichting, vertegenwoordigd door E.H.M. de Jong, vergezeld door haar [directeur], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.Y. van Hattum, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door S. Satter, ambtenaar in dienst van de gemeente, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: de WPO), voor zover hier van belang, kan de bekostiging van een bijzondere school slechts een aanvang nemen, indien zij voorkomt op een voor de gemeente van vestiging vastgesteld plan van nieuwe scholen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover hier van belang, stelt de gemeenteraad het plan van nieuwe scholen elk jaar vóór 1 augustus vast.

Ingevolge artikel 75, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WPO, gaat een voorstel van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad dat de opneming in het plan van een of meer openbare scholen bevat, vergezeld van een prognose van het te verwachten aantal leerlingen en de beschrijving van het voedingsgebied.

Ingevolge artikel 75, derde lid, van de WPO, voor zover hier van belang, bevat de prognose gegevens omtrent:

[…]

7o. indien het betreft openbaar onderwijs waarvoor reeds een school binnen de gemeente aanwezig is: het belangstellingspercentage voor de openbare school of scholen binnen de gemeente.

De prognose kan tevens gegevens bevatten naar aanleiding van de directe meting.

Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de WPO moet een verzoek om opneming in het plan van een bijzondere school voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het plan bij de gemeenteraad worden ingediend. Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, gaat het verzoek vergezeld van de gegevens genoemd in artikel 75, eerste lid, in samenhang met het derde lid, met dien verstande dat in afwijking van artikel 75, eerste lid, in samenhang met het derde lid, onder c 6o en c 7o, de prognose gegevens bevat omtrent het belangstellingspercentage voor de scholen van die richting binnen de gemeente, indien het een school betreft van een richting waarvoor reeds een school binnen de gemeente aanwezig is.

Ingevolge artikel 77, eerste lid, van de WPO neemt de gemeenteraad een bijzondere school in elk geval in het plan op, indien op grond van de bij het verzoek overgelegde gegevens aannemelijk is dat de school binnen 5 jaar vanaf de datum van ingang van de bekostiging en voorts gedurende 15 jaar na die periode van 5 jaar zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de voor de gemeente geldende stichtingsnorm.

2.2. De stichting heeft bij haar verzoek naast de ingevolge artikel 76, tweede lid, van de WPO vereiste prognose een op een directe meting gebaseerde leerlingenprognose voor islamitisch basisonderwijs in Haarlem overgelegd. Volgens die meting bestaat in de gemeente Haarlem een gemiddeld belangstellingspercentage van 10,9% voor islamitisch basisonderwijs. Het belangstellingspercentage op basis van de indirecte meting bedraagt 1,43%. Niet in geschil is dat de basisschool niet aan de stichtingsnorm voor de gemeente Haarlem van 328 leerlingen voldoet indien wordt uitgegaan van de prognose uit de indirecte meting.

2.3. De staatssecretaris heeft het administratief beroep van de stichting tegen de afwijzing van haar verzoek ongegrond verklaard. Daaraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de gemeenteraad weliswaar ten onrechte de prognose van de directe meting bij zijn oordeel heeft betrokken, maar dat de gemeenteraad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op grond van de prognose op basis van de indirecte meting niet aannemelijk is gemaakt dat de basisschool aan de stichtingsnorm zal voldoen.

2.4. De stichting betoogt dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de gemeenteraad niet kon uitgaan van de prognose van de indirecte meting. Daartoe voert zij aan dat de indirecte meting niet geacht kan worden representatief te zijn voor de belangstelling voor islamitisch basisonderwijs in de gemeente Haarlem. Volgens de stichting is de feitelijke ontwikkeling van het leerlingenaantal van de onder de stichting ressorterende islamitische basisschool in Haarlem achtergebleven bij de verwachting ten gevolge van de ontoereikende huisvestingssituatie van de school, die te wijten is aan de wijze waarop de gemeente Haarlem heeft voorzien in haar wettelijke huisvestingstaak.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 18 april 2007 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200605096&verdict_id=16826&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200605096/1&utm_term=200605096">200605096/1</a>) heeft de directe meting blijkens de wetsgeschiedenis slechts een beperkte aanvullende rol, voor het geval de ingevolge artikel 75, eerste lid, aanhef en onder a, van de WPO over te leggen prognose van het gemeentelijk belangstellingspercentage, berekend op basis van de indirecte meting, onvoldoende gegevens oplevert voor de bepaling van de behoefte. Uitgegaan moet worden van de indirecte meting, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals een van de gemeente als geheel afwijkende bevolkingssamenstelling in het voedingsgebied.

In dit geval bestaat geen grond voor het oordeel dat het gemeentelijk belangstellingspercentage dat volgt uit de indirecte meting, onvoldoende gegevens oplevert voor de bepaling van de behoefte. De door de stichting aangevoerde huisvestingssituatie van de basisschool vormt geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de staatssecretaris in het voorliggende geval niet kon uitgaan van de indirecte meting. Niet aannemelijk is gemaakt dat het feitelijke belangstellingspercentage voor islamitisch basisonderwijs in Haarlem door de huisvestingssituatie van de basisschool is achtergebleven bij de verwachting. In dat verband acht de Afdeling van belang dat lesruimte, zoals ter zitting van de zijde van de gemeenteraad onweersproken is toegelicht, jaarlijks per 1 oktober ter beschikking wordt gesteld op basis van het feitelijke aantal leerlingen, in plaats van op basis van het verwachte aantal leerlingen. Voorts laat de ter zitting gegeven toelichting dat de stichting er de voorkeur aan heeft gegeven om over de huisvesting van de basisschool met de gemeente Haarlem in gesprek te blijven, onverlet dat zij tegen de toekenning van de huisvestingsvoorzieningen rechtsmiddelen had kunnen aanwenden, indien zij meende dat deze voorzieningen niet aan de wettelijke eisen voldeden. In de onderhavige procedure kan niet in de beoordeling van de vraag of de besluitvorming met betrekking tot de huisvestingsvoorzieningen rechtens juist is worden getreden, doch dient daarvan ter worden uitgegaan. De staatssecretaris heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat in het voorliggende geval geen aanleiding bestond om niet uit te gaan van het belangstellingspercentage op basis van de indirecte meting. Nu niet in geschil is dat de stichting op grond van dat belangstellingspercentage niet zal voldoen aan de stichtingsnorm voor de gemeente Haarlem, heeft de staatssecretaris het administratief beroep van de stichting terecht ongegrond verklaard.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2008

85-496.