Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD1092

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
200701806/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Noordenveld (hierna: de raad) bij besluit van 27 oktober 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Westerd II" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701806/1.

Datum uitspraak: 7 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen,

2. [appellant sub 2],

allen wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Noordenveld (hierna: de raad) bij besluit van 27 oktober 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Westerd II" (hierna: het plan).

Bij uitspraak van 19 december 2006, no. 200605337/2, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd.

Bij een tweetal publicaties van 30 januari 2007 is namens het college door burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld medegedeeld dat het bestemmingsplan van rechtswege is goedgekeurd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] (hierna: [appellant sub 1] e.a.) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 maart 2007, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brieven van 1 juli 2007 en 17 oktober 2007.

Het college van burgemeester en wethouders heeft een reactie ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1] e.a., [appellant sub 2] en het college van burgemeester en wethouders hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van

[appellant sub 2]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2008, waar [appellant sub 1] e.a., in de persoon van [appellant sub 1], en [appellant sub 2], in persoon, zijn verschenen. Tevens is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door G.W. Kuiper en E.B. Korf-Versteegh, ambtenaren in dienst van de gemeente.

De Afdeling heeft aanleiding gezien onder toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht over te gaan tot heropening van het onderzoek. Zij heeft hiervan bij brief van 25 maart 2008 kennis gegeven aan partijen en het college om nadere schriftelijke inlichtingen verzocht. Bij brief van 3 april 2008 heeft het college geantwoord.

Bij brief van 8 april 2008 van de Afdeling zijn de andere partijen in de gelegenheid gesteld op de nadere schriftelijke inlichtingen te reageren. Bij brieven van 11, 18 en 19 april 2008 hebben onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 2] en [belanghebbende] e.a. een reactie ingediend. Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in uitbreiding van het bedrijventerrein de Westerd I (hierna: De Westerd I) aan de noordzijde van Peize. De voorgenomen uitbreiding (hierna: De Westerd II) beslaat een terrein van ongeveer 3 ha.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden onderzocht of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast dient er op toe te worden gezien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. [appellant sub 1] e.a., respectievelijk bewoners van de panden aan de [locaties 1, 2, 3, 4 en 5], hebben onder meer aangevoerd dat de noodzaak van uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein De Westerd I onvoldoende is onderbouwd. Daarbij is volgens hen met name miskend dat op omliggende bedrijfsterreinen leegstand van gebouwen en terreinen voorkomt.

2.4. Blijkens de plantoelichting strekt het gemeentelijke beleid tot het behoud van lokale bedrijvigheid en werkgelegenheid en is het meer specifiek gericht op de vestiging van startende ondernemingen uit de gemeente en de herplaatsing van bedrijven die elders in of om Peize zijn gevestigd. Bij dit laatste moet mede worden gedacht aan hervestiging van bedrijven uit de kom van Peize waarvan de locatie qua omvang of milieu-effecten op de omgeving minder geschikt is geworden. De grootte van de bedrijfskavels is in artikel 4, derde lid, onder a, sub 1, van de planvoorschriften beperkt tot 1.500 m2.

Het voorgaande strookt met het Provinciaal Omgevingsplan Drenthe, vastgesteld bij besluit van 7 juli 2004, (hierna: het POP II), waarin Peize wat betreft omvang en sociaal-economische functie is aangemerkt als zogenaamde hoofdkern. Aan hoofdkernen is een functie voor kleinschalige, lokale bedrijvigheid toegekend.

In de plantoelichting is vermeld dat bij de gemeente een groot aantal bedrijven uit Peize en directe omgeving als belangstellenden voor vestiging op De Westerd II zijn geregistreerd. Gelet op de maximaal toegestane omvang van de uit te geven bedrijfskavels, moet worden geconcludeerd dat de vraag naar bedrijfskavels het aanbod in ruime mate overstijgt. De door [appellant sub 1] e.a. gestelde leegstand van bedrijfsterreinen en -gebouwen in de regio biedt, mede gezien de milieucategorisering van bedrijven, geen aanleiding voor het oordeel dat aan de voorgenomen uitbreiding van De Westerd I geen behoefte bestaat. Het aangevoerde geeft dan ook geen grond voor het oordeel dat de goedkeuring van het plan in verband hiermee geen stand kan houden. Het betoog faalt.

2.5. Ook het betoog van [appellant sub 1] e.a. dat het twijfelachtig is of het plan gezien de te verwachten planschadeclaims financieel uitvoerbaar is, faalt. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling geen grond voor de verwachting dat het plan zal leiden tot een zodanige waardevermindering van hun woningen, dat het plan daardoor financieel onuitvoerbaar zou worden en de goedkeuring daarvan mitsdien geen stand zou kunnen houden.

2.6. [appellant sub 1] e.a. hebben voorts betoogd dat het plan een onherstelbare aantasting van de cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische waarden van de omgeving van de [locatie 6] en het buurtschap Noordeinde zal betekenen, met name van de groene entree aan de noordkant van Peize, de laanstructuur van de [locatie 6], die wordt gevormd door de aan weerszijden van die weg staande rij grote eiken en van de kenmerkende elzensingels. Ook zal volgens hen de natuurlijke kronkeling van de Peizerloop door het plan worden aangetast.

[appellant sub 2] heeft in aanvulling daarop nog aangevoerd dat het plan afbreuk zal doen aan het gebied als cultureel erfgoed, waarvan het Voordenlandschap met de historische geul De Slenk, alsook sporen van de destijds ter plaatse uitgeoefende hopteelt deel uitmaken. Naar zijn mening is ten onrechte toegestaan om het bedrijfsterrein te ontsluiten door het in dat landschap aanbrengen van een doorsteekweg en een groot aantal paadjes naar de verschillende bedrijven.

2.7.1. Blijkens het POP II vormen de gegevens van kaart 2 en kaart 10 de basis voor de cultuurhistorische beoordeling van bestemmingsplannen.

In het POP II is Peize op kaart 2 gekarakteriseerd als een "cultuurhistorisch waardevolle nederzetting". Van cultuurhistorisch waardevolle nederzettingen wordt vermeld dat deze "als geheel, of in overwegende mate, nog een herkenbare cultuurhistorische stedenbouwkundige structuur" bezitten.

Peize is voorts op kaart 10 van het POP II aangemerkt als behorend tot een esdorpenlandschap met de hoogste gaafheidsgraad. Vermeld is dat daarmee is beoogd een globale waardering aan te geven van de herkenbaarheid van de cultuurhistorie in Drenthe.

In kaart B bij het POP II is een toelichting gegeven op de verschillende typen nederzettingen met de daarbij behorende kenmerken. Tot de kenmerken van een esdorp behoort onder meer dat daarbij het landelijk gebied (-) via een opeenvolgende reeks van grote en kleine ruimten het dorp binnendringt en dat dit ook geldt voor "lijnelementen" als wegen, beplantingen en perceelsgrenzen. Voorts wordt als kenmerk van een esdorp beschouwd dat de bebouwing ervan een landelijk karakter heeft en oorspronkelijk "vooral uit verspreide typische boerderijen (bestaat), die schijnbaar willekeurig geplaatst zijn". Daarbij wordt gewezen op de open ruimten die worden gevormd door de brinken, erven, tuinen, kleine akkers en weilanden tussen de bebouwing, alsook op de beplanting langs de wegen - vooral langs de hoofdwegen - en op de brinken, erven en langs perceelsgrenzen.

2.7.2. Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, wordt vastgesteld dat de kaarten 2 en 10 een zodanig kleine schaal hebben, dat het plangebied door slechts een gering gedeelte van deze kaarten wordt gerepresenteerd en dat de op die kaarten berustende kwalificaties een sterk generaliserend en samenvattend karakter hebben. Voorts moet ook uit de terminologie van de kwalificaties in het plan, waaronder de hiervoor aangegeven aanduiding "in overwegende mate" en "globale waardering" worden afgeleid dat aan kaart 2 en 10 in zoverre geen absolute betekenis toekomt, maar dat ter zake met name de feitelijke kenmerken van het plangebied van belang zijn.

2.7.3. Het plangebied is ongeveer 140 bij 360 meter groot en grenst aan de westzijde aan De Westerd I. Het wordt aan de noord- en oostkant omsloten door respectievelijk de Westerweg en de [locatie 6] en aan de zuidkant door de perceelsgrens van de woonboerderij [locatie 3]. Aan de noordzijde van het plangebied bevindt zich, op het perceel [locatie 7], eveneens een woonboerderij. Dit perceel wordt begrensd door onbebouwd gebied. Het perceel [locatie 3] grenst aan een deel van de bebouwde kom van Peize.

Ingevolge het voorheen ter plaatse geldende bestemmingsplan "Rondweg en bedrijventerrein Peize" uit 1992 rustte op deze gronden hoofdzakelijk de bestemming "Agrarische cultuurgronden". Volgens het deskundigenbericht bestaan de gronden uit grasland, met uitzondering van een elzensingel die het gebied in oost-westrichting doorsnijdt.

In het voorliggende bestemmingsplan is aan tweederde van het plangebied de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" toegekend en voor het overige de bestemming "Woon-/werkgebied". Aan de zuidzijde van de plandelen met de bedrijfsbestemming en woon-werkbestemming is een groengordel geprojecteerd door middel van een strook met de bestemming "Groenvoorzieningen". Ook aan de west- en oostrand van het gebied is een groenbestemming toegekend, aan de westzijde gevormd door een ongeveer 10 meter brede strook bosschages met een hoogte van ongeveer 8 á 9 meter die het plangebied afschermt van De Westerd I en aan de oostrand grotendeels door een elzensingel. Aan het zuidelijk deel van het plangebied, met daarop de woonboerderij [locatie 3], is de conserverende bestemming "Woongebied" en "Agrarische doeleinden" toegekend.

2.7.4. Volgens het deskundigenbericht beschikt het plangebied met name door de verspreide, vrij gelegen boerderijen, de beplanting langs de wegen en de elzensingels aan de oostrand en in het midden van het gebied, over een aantal van de hiervoor beschreven esdorpkenmerken.

In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat de realisering van de uitbreidingslocatie afbreuk zal doen aan genoemde kenmerken. Daarvoor moet volgens het deskundigenbericht onder meer worden gevreesd omdat het onbebouwde grasland grotendeels bebouwd zal worden, de woonboerderij [locatie 7] niet meer vrij zal zijn gelegen en de elzensingel in het midden van het plangebied zal verdwijnen. Op zich zullen deze nadelen volgens het deskundigenbericht deels kunnen worden tegengegaan door de afschermende functie van de elzensingel aan de oostzijde van het bedrijfs- en woon-werkgedeelte van het plangebied. De afschermende functie van die singel zou echter in belangrijke mate verloren gaan door de in artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, toegestane mogelijkheid om de groenbestemming ter plaatse te doorsnijden door in- en uitritten van de op de uitbreidingslocatie te vestigen bedrijven. Gezien de oppervlakte van het terrein met bedrijfsbestemming en de beperking van de bedrijfskavels tot maximaal 1.500 m2 zullen vrij veel bedrijfskavels kunnen worden gerealiseerd. Aldus zal volgens het deskundigenbericht niet alleen de elzensingel ter plaatse van de uitritten verdwijnen, maar zal bovendien De Westerd II georiënteerd raken op de [locatie 6]. Hierdoor zal tevens afbreuk worden gedaan aan de laanstructuur en aan het cultuurhistorisch belang van de strook grond tussen de elzensingel en de eiken, die onderdeel vormt van de voormalige trambaan Peize-Groningen. Aldus kan niet staande worden gehouden dat de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden in zoverre niet op onevenredige wijze zullen worden aangetast.

Het beroep is in zoverre gegrond.

2.7.5. Voor zover [appellant sub 1] e.a. hebben betoogd dat de cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische waarden onevenredig zullen worden aangetast door de ontsluiting van het plangebied als geheel op de [locatie 6], kan hun betoog niet slagen.

Het bedrijventerrein wordt thans aan de noordkant via de Havenstraat op de Westerweg ontsloten en aan de zuidzijde via de weg de Westerd en de Ripperdalaan op de [locatie 6].

Uit de stukken blijkt dat de raad voornemens is om de ontsluiting via de Ripperdalaan, wegens het karakter van de omgeving daarvan als woonbuurt, af te sluiten voor gemotoriseerd verkeer. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat het voor een goede afwikkeling van het verkeer noodzakelijk is dat het verkeer het gebied, met name in geval van calamiteiten, via meer dan één weg moet kunnen verlaten, niet onredelijk.

De nieuwe ontsluiting is geprojecteerd nabij de zuidkant van het perceel [locatie 7], ter plaatse van het noordelijk uiteinde van de rij eiken langs die weg. Weliswaar zal deze ontsluiting blijkens het deskundigenbericht een zekere aantasting van de hiervoor genoemde waarden tot gevolg hebben, doch naar het oordeel van de Afdeling kan dit niet leiden tot de conclusie dat de goedkeuring van het plan geen stand kan houden. Daarbij neemt zij in aanmerking, dat uit het deskundigenbericht blijkt dat het beeld van de [locatie 6] als eikenlaan nagenoeg volledig intact zal blijven. Bovendien heeft de raad in dit verband in redelijkheid belang kunnen toekennen aan het kleinschalige en lokale karakter van de voorgenomen bedrijvigheid in het plangebied.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de ontsluiting op de [locatie 6] leidt tot een zodanige aantasting van de waarden van het gebied, dat daaraan in redelijkheid doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend boven de met het realiseren van de ontsluiting gediende belangen. Dit betoog faalt dan ook.

2.7.6. Het betoog van [appellant sub 1] e.a. dat het plan een onaanvaardbare aantasting betekent van de waarden van de Peizerloop slaagt evenmin.

Blijkens de stukken wordt de loop van dit water verlegd voor zover dit het gebied met de bedrijfsbestemming doorsnijdt, naar een strook grond tussen de achterzijde van het perceel [locatie 7] waarop een woon/werkbestemming rust en het gedeelte van het plangebied met de bedrijfsbestemming.

Vaststaat dat het nieuwe tracé van de Peizerloop 3 meter breder is dan thans. De in het deskundigenbericht getrokken conclusie dat aldus mogelijk is gemaakt om een vanuit landschappelijk en natuurlijk oogpunt aantrekkelijker tracé van de Peizerloop tot stand te brengen, is niet onaannemelijk. Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder c, en artikel 4, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften is het bovendien mogelijk om een nog ruimere dimensionering van de waterloop te creëren, nu daarin is bepaald dat gronden met een woon/werk- of bedrijfsbestemming tevens mogen worden gebruikt voor "groenvoorzieningen en water". Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zal de raad bovendien bij de verlegging van het desbetreffende deel van de waterloop aansluiten bij de ter zake met [appellant sub 1] e.a., Heemschut Drenthe en de plaatselijke afdeling van de Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie gemaakte afspraken omtrent een zo natuurlijk mogelijk verloop van dit water.

Gelet op het vorenstaande kan in het aangevoerde dan ook geen grond worden gevonden voor het oordeel dat het plan in verband hiermee geen stand kan houden.

2.7.7. Ook het betoog van [appellant sub 1] e.a. dat het plan zal leiden tot een onevenredige aantasting van de flora en fauna ter plaatse faalt.

In het kader van de planvaststelling is ter zake een onderzoek uitgevoerd door BügelHajema Adviseurs (hierna: BügelHajema). De resultaten van het onderzoek naar de natuurwaarden ter plaatse zijn neergelegd in het rapport "Onderzoek flora en fauna Uitbreiding bedrijventerrein De Westerd", van 21 oktober 2003. In het advies staat dat het plangebied geen onderdeel is van en niet grenst aan een in het kader van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn aangewezen gebied, ecologische hoofdstructuur of natuurmonument.

Gelet op de nader ingekomen stukken, waaronder de door het college nader ingediende detailkaart, waarop de begrenzing van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur is aangegeven, stelt de Afdeling vast dat De Westerd II geheel buiten de provinciale ecologische hoofdstructuur is gesitueerd en dat zich ter plaatse evenmin een ecologische verbindingszone bevindt. Het college is bij zijn besluitvorming daarvan dan ook terecht uitgegaan. Voor zover appellanten in hun reactie op de nadere stukken van het college andere aspecten dan dit punt aan de orde stellen, kunnen deze - naar ook in de brief van de Afdeling van 25 maart 2008 was vermeld - niet in de beoordeling worden betrokken.

[appellant sub 1] e.a. hebben bij hun betoog ter zake van de flora en fauna hoofdzakelijk aangevoerd dat het plan ten koste zal gaan van de volgens hen in de elzensingels aanwezige vleermuizen.

Blijkens de stukken is op dit punt aanvullend onderzoek verricht door de Vleermuizenwerkgroep Drenthe. Daaruit blijkt dat geen van de bomen in het plangebied tekenen vertoont van bewoning en/of gebruik door vleermuizen, doch dat de lanen en singels door vleermuizen slechts worden gebruikt als oriëntatiepunt.

Niet aannemelijk is gemaakt dat de hiervoor genoemde onderzoeken onjuistheden dan wel leemten in kennis vertonen.

De vraag of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, kan in beginsel pas aan de orde komen in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat de goedkeuring van een plan geen stand kan houden, indien en voor zover op voorhand in redelijkheid had moeten worden ingezien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Deze situatie doet zich hier niet voor.

Met name gezien de handhaving in het plan van de bomenrij aan de zuid-, west- en oostzijde van het plangebied, ziet de Afdeling voorts geen grond voor het oordeel dat voor een zodanig ernstige schade aan de vleermuizenpopulatie moet worden gevreesd, dat de goedkeuring van het plan in verband daarmee geen stand kan houden.

2.8.1. [appellant sub 1] e.a. betogen voorts dat het plan zal leiden tot een ontoelaatbare toename van de aantasting van hun woon- en leefklimaat door het bestaande industrieterrein De Westerd I door vergroting van de licht-, stof- en geluidhinder en door aantasting van hun uitzicht en privacy.

Op de gronden met een bedrijfsbestemming en die met een woon/werkbestemming kunnen, ingevolge de artikelen 3 en 4, tweede lid, tweede tekstblok, bedrijven worden gevestigd uit respectievelijk categorie 1 tot en met 3 en categorie 1 en 2 van de aan de voorschriften toegevoegde Staat van bedrijven. Middels de vrijstellingsbepalingen in de artikelen 3 en 4, tweede lid, tweede tekstblok en artikel 7, onder b, kunnen tevens bedrijven worden toegelaten die wat betreft milieutechnische effecten op het woon- en leefklimaat daaraan kunnen worden gelijkgesteld. De vestiging van bedrijven die vallen onder artikel 41 van de Wet geluidhinder is op grond van het eerste lid van de artikelen 3 en 4 niet toegestaan.

Vast staat dat de tot de voorschriften behorende bedrijvenlijst bedrijven omvat uit categorie 1 tot en met categorie 3-bedrijven uit de VNG-brochure bedrijven en Milieuzonering.

In de VNG-brochure zijn de bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een indicatief aan te houden afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming vanwege de mogelijke hinder van de milieufactoren geur, stof, gevaar en geluid. In de brochure is voor elk van de genoemde aspecten aangegeven welke afstand aangehouden moet worden ten opzichte van een - in een stille woonwijk met weinig verkeer gelegen - woning. Afwijking van de aanbevolen afstanden is volgens de brochure mogelijk, maar deze dient voldoende te worden gemotiveerd en te worden afgewogen in het licht van het doel van deze normen, namelijk het voorkomen van milieuhinder in nieuwe situaties.

Blijkens het deskundigenbericht vormen de categorie-3 bedrijven een selectie uit de VNG-categorie-3 bedrijven, op basis van het gegeven dat ter plaatse ook bedrijfswoningen zijn toegestaan. Als grootste aan te houden afstand voor categorie-3 bedrijven wordt 50 of 100 meter genoemd. De afstand van de woningen van [appellant sub 1] e.a. tot het gedeelte van het plangebied waar categorie-3 bedrijven zijn toegelaten is ten minste 75 meter. De in het deskundigenbericht getrokken conclusie dat, met name gelet op de ter plaatse reeds heersende verkeersdrukte van de [locatie 6], niet zonder meer aannemelijk is dat door de vestiging van de ingevolge de planvoorschriften toegelaten bedrijven het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] e.a. ernstig zal worden aangetast, komt de Afdeling niet onjuist voor. Dit betoog slaagt dan ook niet.

2.8.2. Hetzelfde geldt voor de vrees van [appellant sub 1] e.a. voor ernstige toename van de geluidhinder van het verkeer op de [locatie 6].

In hoofdstuk 4 van de plantoelichting is op basis van het rapport "Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Bedrijventerrein De Westerd II" van BügelHajema van december 2003 vermeld, dat het aantal motorvoertuigen op de [locatie 6] in 2001 3.349 per etmaal bedroeg en naar verwachting in 2014 met ongeveer 14% zal zijn gestegen tot 3.818 motorvoertuigen per etmaal. Blijkens het rapport dienen afstanden van 23 en 10 meter van de as van de [locatie 6] te worden aangehouden om te kunnen voldoen aan de grenswaarden van 50 dB(A) en 55 dB(A). De panden [locatie 2], 22b en 24 bevinden zich op respectievelijk 22 meter, 16 meter en 12 meter van die wegas.

In de notitie "Verkeersintensiteiten rond De Westerd II" van BügelHajema, is de bijdrage van de geprojecteerde ontsluiting van De Westerd I en II op de [locatie 6] aan de genoemde verkeersintensiteit in 2014 onderzocht. Blijkens de notitie kunnen van het aantal motorvoertuigen per etmaal ongeveer 200 aan die ontsluiting worden toegerekend. In het deskundigenbericht is de hierdoor veroorzaakte geluidbelasting van de woningen van appellanten langs de [locatie 6] bepaald op 0,2 dB(A). Nu het plan aldus niet leidt tot een verhoging van de geluidsbelasting vanwege de weg op de woningen van appellanten met 2 dB(A) of meer, is geen sprake van een reconstructie als bedoeld in artikel 1 van de Wet Geluidhinder. Het deskundigenbericht in aanmerking nemende overweegt de Afdeling, dat de toename van geluid ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1] e.a. ten gevolge van het plan zodanig gering is, dat niet aannemelijk is dat dit een ernstige verslechtering van het woon- en leefklimaat bij die woningen meebrengt.

2.8.3. De klacht van [appellant sub 1] e.a. met betrekking tot aantasting van hun uitzicht en privacy, kan evenmin slagen.

Blijkens het deskundigenbericht zijn hun woningen thans zodanig vrij gelegen dat zij van de omgeving weinig inbreuk op hun privacy ondervinden en wordt het uitzicht van met name de percelen [locatie 3], 24 en 26 in hoge mate bepaald door de groene elementen ter plaatse. De realisering van het plan zal volgens het deskundigenbericht in dit opzicht voor betrokkenen een zekere verslechtering betekenen. Naar het oordeel van de Afdeling hoeft voor een overmatige schade van hun privacy en uitzicht niet te worden gevreesd. Daarbij neemt zij mede in aanmerking dat ten zuiden van het woon/werk- en bedrijfsgedeelte van het plangebied een ongeveer 5 meter brede groengordel is geprojecteerd en dat de afstand tussen die woningen en genoemd gedeelte van het plangebied minimaal 75 meter bedraagt. De inbreuk op de door [appellant sub 1] e.a. gestelde belangen wordt verder beperkt door hetgeen in rechtsoverweging 2.7.4. is bepaald over de ontsluitingspaadjes naar de nog te realiseren bedrijven op het bedrijventerrein.

2.8.4. [appellant sub 1] e.a. hebben verder betoogd dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met de te hanteren luchtkwaliteitsnormen.

Voorafgaande aan de planvaststelling is in opdracht van de raad een onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit van het plangebied door BügelHajema. In het rapport is geconcludeerd dat de grenswaarden van de stoffen die in het Besluit luchtkwaliteit 2005 genoemd worden door het plan niet zullen worden overschreden. De raad heeft voorts een nader onderzoek doen verrichten door genoemd bureau, waarin de in het deskundigenbericht geconstateerde gebreken zijn hersteld. Dit nadere rapport leidt niet tot een andere uitkomst dan hiervoor weergegeven. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de goedkeuring van het plan in verband met het aspect luchtkwaliteit niet in stand kan blijven.

2.9. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] e.a. ten slotte omtrent de door hen in de procedure van de totstandkoming van het plan naar voren gebrachte alternatieven, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Deze situatie doet zich hier niet voor. Gelet op hetgeen hierna onder overweging 2.9 wordt overwogen, dient het goedkeuringsbesluit weliswaar gedeeltelijk te worden vernietigd en in zoverre aan het plan goedkeuring te worden onthouden, maar is de reden daarvoor slechts de mogelijkheid van realisering van afzonderlijke ontsluitingsweggetjes aan de oostkant van het plangebied.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] e.a. en [appellant sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten worden geacht wat betreft artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover daarbij is bepaald dat de bestemming "Groenvoorzieningen" mag worden doorsneden door in- en uitritten. De goedkeuring van rechtswege is derhalve in zoverre in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening in samenhang met artikel 10: 27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn gedeeltelijk gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre moet worden vernietigd.

Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan voornoemd gedeelte van artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften.

De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

2.11. Het college wordt op na te melden wijze tot vergoeding van proceskosten veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt de goedkeuring, zoals die geacht wordt te zijn verleend aan de zinsnede in artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften "De bestemming mag worden doorsneden door in- en uitritten";

III. onthoudt goedkeuring aan deze zinsnede van artikel 7, eerste lid;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de goedkeuring voor zover die is vernietigd;

V. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellant sub 1] e.a. en [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van beiden € 45,38 (zegge: vijfenveertig euro en achtendertig eurocent); het dient door het college aan [appellant sub 1] e.a. en [appellant sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de provincie Drenthe aan [appellant sub 1] e.a. en [appellant sub 2] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van respectievelijk € 141 en € 143 (zegge: honderdeenenveertig en honderddrieëenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2008

240.