Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD1088

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
200706648/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaren (hierna: het college) het verzoek van [belanghebbenden] om handhavend op te treden tegen het honden- en kattenpension, het klussenbedrijf, de statische binnenopslag (caravanstalling), de reclameborden en het administratiekantoor op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706648/1.

Datum uitspraak: 7 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4489 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 juli 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaren (hierna: het college) het verzoek van [belanghebbenden] om handhavend op te treden tegen het honden- en kattenpension, het klussenbedrijf, de statische binnenopslag (caravanstalling), de reclameborden en het administratiekantoor op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), afgewezen.

Bij besluit van 29 september 2006 heeft het college, opnieuw beslissend op het door [belanghebbenden] daartegen gemaakte bezwaar, dat bezwaar gegrond verklaard en, voor zover thans van belang, [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast het gebruik van de bebouwing op het perceel voor statische opslagactiviteiten gedurende de zomermaanden te staken en gestaakt te houden.

Bij uitspraak van 27 juli 2007, verzonden op 6 augustus 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellante] en haar [maten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [maten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbenden] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 20 december 2007 heeft het college, voor zover thans van belang, aan [appellante] vrijstelling verleend ten behoeve van het in gebruik nemen van de bestaande voormalige agrarische bedrijfsopstallen voor een caravanstalling op het perceel en de last onder dwangsom van 29 september 2006 ingetrokken.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Martens, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied van de gemeente Udenhout, partiële herziening (Biezenmortel)" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied A". Het gebruik van het perceel voor de stalling van caravans is hiermee in strijd. Het college was derhalve bevoegd handhavend op te treden.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. [maten] betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat geen sprake is van concreet zicht op legalisering, heeft miskend dat ten tijde van het nemen van het besluit van 29 september 2006 een verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening was ingediend en het college bereid was die vrijstelling te verlenen.

2.3.1. Dit betoog faalt. Op 18 september 2006, negen dagen voor het besluit op bezwaar, heeft het college van [appellante] een verzoek ontvangen tot het verlenen van vrijstelling voor caravanstalling op het perceel gedurende de zomermaanden. Bij brief van 2 januari 2007 heeft het college geantwoord dat het dat verzoek niet los wil zien van de andere ontwikkelingen op het perceel en dat het eerst een besluit zal nemen nadat het een onderbouwd verzoek om vrijstelling voor alle gewenste ontwikkelingen op het perceel zal hebben ontvangen. Een dergelijk verzoek is eerst op 17 juli 2007 door het college ontvangen. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet kan worden aangenomen dat ten tijde van het besluit van 29 september 2006 concreet zicht op legalisering bestond.

2.4. [maten] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college van handhavend optreden had moeten afzien omdat het belang van [maten] bij voortzetting van de caravanstalling in de zomermaanden groter is dan het belang van [belanghebbenden] bij beëindiging ervan.

2.4.1. Dit betoogt slaagt evenmin. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het door [maten] gevreesde financiële nadeel bij beëindiging van de caravanstalling in de zomermaanden geen bijzondere omstandigheid oplevert waardoor van handhaving dient te worden afgezien. De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat het college aan het algemene belang dat is gediend bij handhaving een groter gewicht mocht toekennen dan aan het belang van [appellante] bij afzien van handhaving en dat de omstandigheid dat reeds gedurende geruime tijd caravans in de zomermaanden op het perceel worden gestald, dit niet anders maakt.

2.5. Ook het betoog van [maten] dat de rechtbank ten onrechte hun beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft gehonoreerd, faalt, nu dit betoog ook in hoger beroep niet nader is geconcretiseerd.

2.6. In hetgeen [maten] overigens hebben aangevoerd is evenmin grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte de door het college opgelegde last met de daaraan verbonden begunstigingstermijn niet onredelijk heeft geacht.

2.7. Het betoog van [maten] dat de rechtbank, door te overwegen dat het gebruik van de grond buiten de opstal als staanplaats voor caravans in strijd is met de planvoorschriften, buiten de grondslag van het geschil is getreden, is terecht aangevoerd. Dit betoog kan echter niet leiden tot het door [maten] beoogde doel, nu de overwegingen betreffende het buiten stallen van caravans niet aan de beslissing ten grondslag zijn gelegd.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2008

17-488.