Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD1085

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
200705896/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) vastgesteld dat de woning aan de [locatie] te Utrecht (hierna: de woning) door het vertrek van [appellant] is vrijgekomen voor de distributie, geweigerd aan [appellant] en de huidige gebruiker of gebruikers een huisvestingsvergunning voor deze woonruimte te verlenen en op straffe van bestuursdwang de ontruiming daarvan bevolen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 366 met annotatie van A.T. Marseille
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705896/1.

Datum uitspraak: 7 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 2 augustus 2007 in zaak nrs. 07/1790 en 07/1791 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) vastgesteld dat de woning aan de [locatie] te Utrecht (hierna: de woning) door het vertrek van [appellant] is vrijgekomen voor de distributie, geweigerd aan [appellant] en de huidige gebruiker of gebruikers een huisvestingsvergunning voor deze woonruimte te verlenen en op straffe van bestuursdwang de ontruiming daarvan bevolen.

Bij besluit van 21 juni 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 12 december 2006, onder aanvulling van de motivering ervan, gehandhaafd.

Bij uitspraak van 2 augustus 2007, verzonden op 10 augustus 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) in de bodemzaak, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2008, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. R. de Vries, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door W. van Beveren, ambtenaar in dienst van de gemeente Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5 van de Huisvestingswet, voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mag worden genomen of gegeven, indien voor het in gebruik nemen daarvan geen huisvestingsvergunning is verleend.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, in gebruik te nemen voor bewoning.

2.2. Niet in geschil is dat voor het in gebruik nemen van de woning een huisvestingsvergunning is vereist.

2.3. Aan het in beroep bestreden besluit van 21 juni 2007 heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellant] en zijn medebewoners de door hem gehuurde woning zonder huisvestingsvergunning bewonen. Het college stelt dat [appellant] en zijn echtgenote het gebruik van de woning hebben beëindigd door hun vertrek daaruit en dat voor het opnieuw mogen betrekken van de woning een nieuwe vergunning is vereist. Deze vergunning wordt niet verleend, omdat [appellant] en zijn echtgenote niet in het woningzoekendenregister staan ingeschreven en zij daardoor niet beschikken over voldoende registratieduur om voor bewoning van deze woning in aanmerking te komen.

2.4. [appellant] klaagt dat - samengevat weergegeven - de voorzieningenrechter, door te overwegen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant] en zijn medebewoners de woning definitief hebben verlaten, heeft miskend dat hij de afgelopen tijd weliswaar regelmatig gedurende langere perioden in Marokko heeft verbleven om zijn moeder te verzorgen, maar de woning niet definitief heeft verlaten en voor de conclusie dat dat wel zo is onvoldoende bewijs voorhanden is.

2.4.1. In het besluit van 21 juni 2007 is vermeld dat medewerkers van de Dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Utrecht de woning, naar aanleiding van een telefonische melding bij het "meldpunt onrechtmatige bewoning" over overlast door in de woning verblijvende jongeren, driemaal hebben bezocht. Bij deze huisbezoeken zijn [appellant], noch zijn echtgenote, in de woning aangetroffen. Daarnaast hebben buurtbewoners aan die medewerkers desgevraagd te kennen gegeven dat de woning voorheen werd bewoond door een ouder Marokkaans echtpaar, dat enkele jaren geleden naar Marokko is vertrokken, waarna deze door jongeren in gebruik is genomen.

Anders dan [appellant] stelt, zijn de desbetreffende verklaringen, die zijn vastgelegd in een op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt rapport van bevindingen, niet anoniem, nu de identiteit van degenen die verklaard hebben bij het college bekend is. De voorzieningenrechter heeft ook anderszins in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college deze verklaringen niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen.

Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht door [appellant] niet aannemelijk gemaakt geacht dat diens kleinzoon tot diens huishouden behoort. Dat de kleinzoon minderjarig was, toen hij op het adres van de woning werd ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, is daarvoor onvoldoende. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht overwogen dat de kleinzoon aan de aan [appellant] en zijn echtgenote verleende huisvestingsvergunning geen aanspraak kan ontlenen.

2.4.2. De hiervoor onder 2.4.1 vermelde omstandigheden hebben bij het college volgens het besluit op bezwaar het ernstige vermoeden doen ontstaan dat [appellant] en zijn echtgenote de woning definitief hebben verlaten, welk vermoeden [appellant], hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet met bewijsstukken heeft weerlegd.

Ook in hoger beroep is [appellant] daarin niet geslaagd. De door hem overgelegde kopieën van zijn paspoort zijn daarvoor niet voldoende, teminder nu hieruit kan worden afgeleid dat hij in 2006 slechts gedurende enkele weken in Nederland heeft verbleven. [appellant] heeft voorts ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij over deze periode niet over bankafschriften beschikt waaruit kan worden afgeleid dat hij zijn hoofdverblijf op het gestelde adres had.

2.5. Tot slot kan [appellant] evenmin worden gevolgd in zijn betoog dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het besluit van 12 december 2006 ten onrechte slechts aan hem is gericht. Dit besluit is gericht aan [appellant] en de eventuele andere feitelijke bewoners van de woning, tot wie ook zijn echtgenote moet worden gerekend. Bovendien is in, zowel het primaire besluit, als het besluit op bezwaar, duidelijk gemaakt dat wordt aangenomen dat [appellant] en zijn echtgenote de woning hebben verlaten en de aan hen verleende huisvestingsvergunning wordt geacht daarmee te zijn uitgewerkt.

2.6. De conclusie is dat het betoog van [appellant] faalt. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2008

306-546.