Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD1084

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
200705751/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Voorschoten (hierna: de raad) bij besluit van 14 december 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Krimwijk II".

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2008/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705751/1.

Datum uitspraak: 7 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te Voorschoten,

2. [appellant sub 2], wonend te Voorschoten,

3. [appellanten sub 3], beiden wonend te Voorschoten,

4. de stichting Stichting tot behoud van Cultuurhistorische Buitenplaatsen, gevestigd te Zeist, en [appellant sub 4a], wonend te Voorschoten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Voorschoten (hierna: de raad) bij besluit van 14 december 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Krimwijk II".

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2007, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, [appellanten sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2007, en de stichting Stichting tot behoud van Cultuurhistorische Buitenplaatsen en [appellant sub 4a] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2007, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 september 2007. De stichting en [appellant sub 4a] hebben hun beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten sub 1] en de stichting en [appellant sub 4a] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2008 waar [appellanten sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. drs. R. van Gelder, advocaat te Bleiswijk, [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. drs. H. den Haan, [appellanten sub 3], in persoon, de stichting en [appellant sub 4a], vertegenwoordigd door mr. A. van Dijck, advocaat te Den Haag en [voorzitter] van de stichting, en het college, vertegenwoordigd door ing. E. Schepers, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, en Ontwikkelingscombinatie Park Allemansgeest C.V., vertegenwoordigd door mr. D.A. Cleton en M.G.M. Pfaff.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Voor zover het college stelt dat het beroepschrift van [appellanten sub 3] niet is ingekomen binnen de beroepstermijn, overweegt de Afdeling dat het college gedeeltelijk goedkeuring heeft onthouden aan het bestemmingsplan, zodat ingevolge artikel 29, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 28, zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover hier van belang, het besluit omtrent goedkeuring met het bestemmingsplan met ingang van de zesde week na de bekendmaking voor de duur van zes weken ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage wordt gelegd. De terinzagelegging is hiermee bepaald op de eerste reguliere werkdag van de zesde kalenderweek na de bekendmaking.

Ingevolge artikel 56a, aanhef en onder b, van de WRO vangt de beroepstermijn voor een geval als hier aan de orde aan met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit omtrent goedkeuring overeenkomstig artikel 29, derde lid, van de WRO.

2.1.1. Het besluit van het college van 10 juli 2007 is bekendgemaakt op 11 juli 2007. De wettelijke beroepstermijn is derhalve begonnen op 20 augustus 2007 en, gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet, geëindigd op 1 oktober 2007. Dat het college van burgemeester en wethouders het bestreden besluit en het bestemmingsplan al ter inzage heeft gelegd op 20 juli 2007 maakt dat niet anders. Gelet hierop hebben [appellanten sub 3] hun beroepschrift binnen de termijn ingediend, nu het bij brief bij de Raad van State is ingekomen op 4 september 2007.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.3. Het plan voorziet in de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk met ten minste 658 woningen in de Zuidhoflandsepolder aan de noordoostzijde van de gemeente Voorschoten. Het college heeft het plan grotendeels goedgekeurd.

Horen

2.4. [appellanten sub 3] betogen dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld hun bedenkingen mondeling toe te lichten.

2.4.1. Niet in geschil is dat het college de uitnodiging voor de hoorzitting naar het verkeerde adres heeft gestuurd, zodat [appellanten sub 3] niet in de gelegenheid zijn gesteld hun bedenkingen mondeling toe te lichten. Nu het college de indieners van bedenkingen in de regel nog steeds in de gelegenheid stelt hun bedenkingen mondeling toe te lichten, ook al is het daartoe niet meer wettelijk verplicht, en dat in het onderhavige geval ook heeft gedaan, is het in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid dat [appellanten sub 3] niet in de gelegenheid zijn gesteld hun bedenkingen toe te lichten. Dit klemt te meer, nu het college, zoals hierna wordt overwogen in 2.9.7, in het bestreden besluit ten aanzien van de gronden van [appellanten sub 3] is uitgegaan van een onjuiste feitelijke situatie.

Gelet hierop is het beroep van [appellanten sub 3] gegrond.

Plangrens bij [appellanten sub 3]

2.5. [appellanten sub 3] betogen voorts dat hun gronden ten onrechte slechts voor een gedeelte in het bestemmingsplan zijn opgenomen.

2.5.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat de door [appellanten sub 3] genoemde omstandigheid dat de plangrens hun gronden doorsnijdt planologisch niet relevant is.

2.5.2. Gelet op de systematiek van de WRO komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

In hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing wat betreft hun gronden niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat het plan ter plaatse wordt begrensd door de Krimsloot en dat deze een natuurlijke grens vormt. Niet is gebleken dat uit planologisch oogpunt samenhang bestaat tussen de gronden aan beide zijden van de Krimsloot. Het college heeft de eigendomsverhoudingen daarvoor niet doorslaggevend hoeven achten. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gronden van [appellanten sub 3] die zijn gelegen aan de overzijde van de Krimsloot in dit bestemmingsplan niet behoefden te worden opgenomen.

Het betoog faalt.

Riool

2.6. Het betoog van [appellanten sub 1] ten aanzien van de door hun gewenste aansluiting op het riool faalt, reeds vanwege het feit dat een bestemmingsplan niet regelt op welke wijze woningen op het riool dienen te worden aangesloten.

Uitbreidingsmogelijkheden [appellanten sub 1]

2.7. [appellanten sub 1] betogen voorts dat het ten onrechte niet mogelijk is gemaakt de woning uit te breiden of bijgebouwen te plaatsen tot aan de Krimkade.

2.7.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat [appellanten sub 1] de reguliere uitbreidingsmogelijkheden van hun bestaande woning behouden. De beperkingen die daaraan zijn gesteld wat betreft omvang en situering verminderen de gebruiksmogelijkheden volgens hen slechts beperkt.

2.7.2. Aan de gronden tussen de woning van [appellanten sub 1] aan de [locatie 1] en de Krimsloot is de bestemming "Tuin 2" toegekend. Ingevolge artikel 7, tweede lid, onder h en i, van de planvoorschriften, zijn op deze gronden gebouwen niet toegestaan en mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal één meter bedragen, uitgezonderd tuinmeubilair, tot een bouwhoogte van twee meter en vlaggenmasten, tot een bouwhoogte van maximaal zes meter.

Aan de gronden aan de [locatie 1] is verder de bestemming "Woondoeleinden 2" toegekend, met ter plaatse van de woning een bouwvlak. Ingevolge artikel 5, tweede lid, onder c, van de planvoorschriften, mag het bouwvlak volledig worden bebouwd. Ingevolge het tweede lid, onder g, h en i, zijn aan- en uitbouwen en bijgebouwen toegestaan zowel binnen als buiten het bouwvlak, met dien verstande dat de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder dan drie meter mag bedragen, de gezamenlijke oppervlakte maximaal 50 m2 mag bedragen, waarbij de bestaande, te handhaven aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet worden meegerekend, en de goot- en bouwhoogte niet meer dan drie respectievelijk zes meter mag bedragen.

2.7.3. Voor zover [appellanten sub 1] betogen dat het vorige plan ter plaatse meer bouwmogelijkheden bevatte, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken dat [appellanten sub 1] concrete plannen hebben om deze gronden te bebouwen. Zij hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat het plan hen binnen de bestemming "Woondoeleinden 2" onvoldoende bouwmogelijkheden biedt. Onder deze omstandigheden en gelet op het hierna in 2.9.8 beoordeelde uitgangspunt om de oriëntatie van de woningen op de Krimkade te behouden, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het plan terecht niet mogelijk is gemaakt de woning uit te breiden of bijgebouwen te plaatsen tot aan de Krimkade.

Het betoog faalt.

Hobby [appellanten sub 1]

2.8. [appellanten sub 1] betogen voorts dat niet duidelijk is of hun hobby, het houden van hoenders, op grond van de planvoorschriften is toegestaan.

2.8.1. Het college heeft in het bestreden besluit overwogen en de raad heeft ter zitting bevestigd, dat het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden 2" het hobbymatig houden van hoenders niet in de weg staat. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit standpunt onjuist is.

Het betoog faalt.

De ontsluiting van de woningen aan de Krimkade

2.9. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 3] betogen dat de bestaande en nieuwe woningen aan de Krimkade niet deugdelijk worden ontsloten als alleen de bestaande smalle weg wordt gehandhaafd, terwijl de ontsluiting op de Professor Boerhaaveweg wordt afgesloten door een nieuwe watergang. De bestaande weg en de bruggen over de Krimsloot zijn volgens hen te smal, vooral als het gaat om calamiteiten. Bovendien mag deze weg alleen worden gebruikt op basis van erfdienstbaarheden, waarvan het bestaan anders dan waarvan het college uitgaat, niet is verzekerd. Volgens een in hun opdracht verricht onderzoek kunnen nieuwe ontsluitingen worden gerealiseerd aan de achterzijde van de woningen aansluitend op de ontsluitingen van de nieuwbouwwijk, zonder afbreuk te doen aan het Programma van Eisen dat de raad heeft gehanteerd.

2.9.1. Volgens [appellanten sub 3] is het college er bovendien ten onrechte van uitgegaan dat de bestaande weg zich ook uitstrekt over hun tuin.

2.9.2. In het plan is aan de gronden gelegen tussen de Krimsloot en de bestaande en de nieuw te bouwen woningen aan de Krimkade in het plangebied, ook ter plaatse van de tuin van [appellanten sub 3], de bestemming "Tuin 2" met de aanduiding "zone erftoegangsweg" toegekend. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn deze gronden onder meer bestemd voor erftoegangswegen, waarbij geldt dat het berijdbare wegprofiel tenminste 2,7 meter dient te bedragen.

De Krimsloot is in het plan bestemd als "Water" met op drie plekken de aanduidingen "brug autoverkeer" en "zone erftoegangsweg". Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn deze gronden bestemd voor bruggen voor autoverkeer en erftoegangswegen.

2.9.3. In het bestreden besluit is vermeld dat de reeds bestaande woningen op dit moment worden ontsloten op basis van erfdienstbaarheden over een weg langs de Krimsloot, twee bruggen over de Krimsloot en via de Professor Boerhaaveweg. Het college stelt zich op het standpunt dat deze laatste verbinding in het plan weliswaar wordt doorsneden door een nieuw aan te leggen zijtak van de Krimsloot, maar dat in de directe nabijheid is voorzien in een nieuwe brug over de Krimsloot en dat het plan geen relevante verslechtering van de ontsluiting van de bestaande woningen veroorzaakt. Voor het overige heeft het college verwezen naar de weerlegging van de zienswijze en de bedenkingen door de raad.

2.9.4. De raad betoogt dat door de brandweer van de gemeente Voorschoten positief is geadviseerd over het plan en dat de Krimkade in voldoende mate is te bereiken door hulpdiensten. Hij acht het private karakter van de weg en de daarmee samenhangende erfdienstbaarheden voor de ontsluiting niet van belang.

2.9.5. Uit de stukken die [appellanten sub 1] hebben overgelegd, blijkt dat over de aanwezigheid van een erfdienstbaarheid ten behoeve van hun gronden onzekerheid bestaat. Gelet hierop heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat het private karakter van de weg en de hiermee samenhangende erfdienstbaarheden geen afbreuk doen aan de toekomstige ontsluiting. Bovendien is niet gebleken welke betekenis het college heeft toegekend aan de omstandigheid dat de bestaande gecompliceerde privaatrechtelijke situatie stamt uit een tijd dat er zich ter plaatse slechts enkele bedrijfswoningen bevonden, terwijl thans is voorzien in een geheel nieuw aan te leggen woonwijk met bijbehorende infrastructuur en de mogelijkheid wordt geboden aan de weg langs de Krimsloot extra woningen bij te bouwen. Het bestreden besluit is op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd.

2.9.6. Appellanten hebben voorts het standpunt dat de ontsluiting van de woningen aan de Krimkade in het geval van calamiteiten voldoende is gewaarborgd, gemotiveerd bestreden. Zij hebben er op gewezen dat de bestaande bruggen niet geschikt zijn voor zwaar verkeer. Ter zitting is gebleken dat de brandweer niet schriftelijk heeft geadviseerd over het plan, zodat niet valt na te gaan wat de brandweer precies over de ontsluiting heeft geadviseerd. Voorts is ter plaatse van het geprojecteerde fietspad langs de nieuw aan te leggen watergang, dat volgens het college tevens dienst zal doen als ontsluiting in het geval van calamiteiten, niet de aanduiding "calamiteitenweg" toegekend maar alleen de aanduiding "langzaamverkeersroute". Ingevolge artikel 10, eerste lid, onder e, van de planvoorschriften, zijn deze gronden bestemd voor fietspaden zonder dat daarbij een minimum is gesteld aan het berijdbare wegprofiel. Gelet hierop heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende woningen in voldoende mate zijn te bereiken door de brandweer. Het bestreden besluit is ook op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd.

2.9.7. Het college is er voorts ten onrechte vanuit gegaan dat de bestaande weg zich bevindt langs de gehele Krimkade, terwijl deze weg wordt onderbroken door de tuin van [appellanten sub 3]. Het bestreden besluit is op dit punt niet zorgvuldig voorbereid.

2.9.8. Voor zover appellanten betogen dat het college het door hun genoemde alternatief ten onrechte niet in beschouwing hebben genomen, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet.

Gelet op vorengenoemde motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken kan thans niet worden beoordeeld of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. In het kader van het nieuw te nemen besluit zal het college derhalve moeten bezien of aanleiding bestaat een alternatieve ontsluiting nader te onderzoeken.

De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college daarbij niet in redelijkheid zou mogen uitgaan van het uitgangspunt dat de oriëntatie van de desbetreffende woningen op de Krimkade behouden blijft. De omstandigheid dat zich aan de Krimkade al een of meer woningen bevinden die niet op de Krimkade zijn georiënteerd betekent immers niet dat de raad dit beleidsuitgangspunt zou hebben verlaten. Ook overigens is niet gebleken dat dit uitgangspunt onredelijk is.

2.9.9. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] en [appellanten sub 3] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Tuin 2", "Woondoeleinden 1" en "Woondoeleinden 2", zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering.

Het beroep van [appellanten sub 1] en het beroep van [appellanten sub 3] is, ook hierom, gegrond. Het bestreden besluit dient voor zover het betreft de gronden aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart, wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

De noordelijke ontsluitingsweg

2.10. De stichting en [appellant sub 4a] betogen dat het plan ten onrechte voorziet in een noordelijke ontsluitingsweg. Zij voeren daartoe onder meer aan dat een ontsluitingsweg op deze gronden in strijd is met het streekplan Zuid-Holland West (hierna: het streekplan), omdat de gronden deel uitmaken van een groene corridor en van het groenblauwe raamwerk en in het streekplan naar aanleiding van hun zienswijzen in plaats van met de aanduiding "stads- en dorpsgebied/bebouwing" juist zijn aangeduid als "openluchtrecreatiegebied of stedelijk groen". Zij wijzen daarbij in het bijzonder op Structurerend Element (hierna: SE) 1. Volgens de stichting en [appellant sub 4a] doet de ligging binnen de rode contour niet af aan de overige aanduidingen in het streekplan. Voorts is de noordelijke ontsluitingsweg volgens hen in strijd met het provinciale Beleidsplan Groen, Water en Milieu 2006-2010 en met de gemeentelijke Structuurvisie 2005-2020.

2.10.1. Het college betoogt dat het plandeel niet is gelegen binnen de provinciale ecologische hoofdstructuur en ook anderszins niet als natuurgebied beschermd wordt, maar juist is gelegen binnen de rode contour en de aanduiding "openluchtrecreatiegebied of stedelijk groen" van het streekplan. Het streekplan staat volgens het college niet in de weg aan de aanleg van de ontsluitingsweg binnen die aanduiding. Verder wordt de groene verbinding tussen kust en Groene Hart niet gevormd door de onderhavige gronden, maar door de zogeheten Duivenvoordecorridor, aldus het college.

2.10.2. In het bestemmingsplan is ten behoeve van de noordelijke ontsluiting aan de gronden ten noorden van de nieuwe woonwijk de bestemming "Verkeersdoeleinden 1" toegekend. Deze gronden bestaan thans uit grotendeels onbebouwd grasland.

In het streekplan maken de desbetreffende gronden deel uit van het zogeheten groenblauwe raamwerk met de aanduiding "openluchtrecreatiegebied of stedelijk groen". Op de plankaart is ter plaatse niet de aanduiding "groene verbinding" toegekend; deze bevindt zich onder meer ten zuiden van Voorschoten bij de zogeheten Duivenvoordecorridor. De gronden maken ook geen deel uit van de provinciale ecologische hoofdstructuur.

Gelet hierop staat thans, wat betreft het streekplan, alleen ter beoordeling of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanduiding "openluchtrecreatiegebied of stedelijk groen" zich niet verzet tegen de aanleg van de noordelijke ontsluitingsweg.

2.10.3. In het streekplan is over het groenblauwe raamwerk vermeld dat het bestaat uit het geheel van internationale, nationale, regionale en stedelijke groene gebieden en wateren, inclusief de verbindingen ertussen en dat in deze gebieden natuur, landbouw, recreatie, cultuurhistorie en water in sterk wisselende combinaties voorkomen. Het beleid is erop gericht dit raamwerk robuust en duurzaam te maken. Robuust wil zeggen dat de verschillende functies een plaats hebben zonder dat de kwaliteit van het raamwerk als geheel wordt aangetast. Duurzaam wil zeggen dat het raamwerk als groenblauwe ruimte behouden blijft ook al kunnen de functies erin veranderen.

2.10.4. SE 1 luidt, voor zover van belang: "Vrijwaring van het groenblauwe raamwerk. [...] De vrijwaring geschiedt door concentratie van bevolking en stedelijke functies in de Haagse en Leidse agglomeratie (inclusief de stedelijke as Leiden-Katwijk) en door te streven naar een vestigingsoverschot in de agglomeraties, vooral door vermindering van het vertrek uit de steden. Dit op zodanige wijze dat een duurzaam groen gelede en op knopen gerichte agglomeratie intact blijft."

SE 13 luidt, voor zover van belang: "Binnen de rode contouren wordt per saldo uitgegaan van behoud van functies. [...] De verantwoordelijkheid voor het beleid binnen de rode contouren ligt primair bij de gemeenten. [...]"

2.10.5. Paragraaf F.4 van de toelichting bij het streekplan vermeldt:

"Naast stedelijke functies als wonen, werken en voorzieningen zijn ook lokale groenblauwe elementen binnen de bebouwingscontour geaccommodeerd. Wat betreft de groenblauwe functies gaat het daarbij om op stedelijke schaal belangrijke groengebieden en waterstructuren, zowel in de stad (parken) als aan de randen daarvan. Dergelijke gebieden dienen als rust- en uitloopgebied voor de bewoners en fungeren als interessante verbindingen met de buitenstedelijke regionale groenstructuren. Er zal op toegezien worden dan wel worden bevorderd dat deze gebieden en de op de plankaart aangegeven andere functies binnen de contouren, door middel van structuur- en bestemmingsplannen als zodanig worden beschermd."

2.10.6. Voorts kent het streekplan de aanduiding "groene contour". Groene contouren zijn volgens het streekplan gebieden met bijzondere natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden. Het beschermingsregime van de groene contour is gericht op het behoud hiervan. Ontwikkelingen die deze waarden zouden kunnen aantasten, zijn niet toegestaan, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Op basis van een afweging tussen het te beschermen en te behouden belang en het met het plan gemoeide belang, wordt al dan niet toestemming voor de nieuwe activiteit verleend.

Volgens SE 3 zijn, met uitzondering van sanering van gebiedsvreemde of ongewenste functies, binnen deze groene contourgebieden slechts in uitzonderingsgevallen ingrepen mogelijk.

2.10.7. Uit het voorgaande volgt dat de gronden die deel uitmaken van het groenblauwe raamwerk niet zo strikt zijn beschermd als de gronden die zijn gelegen binnen een groene contour. Weliswaar is het beleid blijkens SE 1 en SE 13, ook binnen de rode contouren, mede gericht op bescherming en behoud van de bestaande groenblauwe functies, maar het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het streekplan er zich niet principieel tegen verzet dat op gronden met de aanduiding "openluchtrecreatiegebied of stedelijk groen" een ontsluitingsweg wordt aangelegd en dat de verantwoordelijkheid voor het beleid binnen de rode contouren primair bij de gemeente ligt. In het bijzonder is van belang dat niet aannemelijk is dat het groenblauwe raamwerk door de aanleg van de weg als geheel wordt aangetast. De omstandigheid dat de aanduiding "openluchtrecreatiegebied of stedelijk groen" naar aanleiding van een zienswijze aan de gronden is toegekend, betekent voorts niet dat daaraan meer bescherming moet worden toegekend dan het college heeft gedaan.

Voorts heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het Beleidsplan Groen, Water en Milieu 2006-2010 en de gemeentelijke Structuurvisie 2005-2020 zich niet verzetten tegen de aanleg van een ontsluitingsweg. Ook dit beleid is op dit punt niet zo strikt dat het de ontsluitingsweg op voorhand uitsluit.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de noordelijke ontsluitingsweg in zoverre niet in strijd is met het streekplan, het Beleidsplan Groen, Water en Milieu 2006-2010 of de gemeentelijke Structuurvisie 2005-2020.

Het betoog faalt.

2.11. De stichting en [appellant sub 4a] betogen voorts dat de noordelijke ontsluitingsweg in strijd is met de Nota Regels voor Ruimte, omdat de archeologische waarden op het perceel, kadastraal bekend gemeente Voorschoten, sectie A, nr. 2235 (hierna: het perceel), onvoldoende worden beschermd. Zij wijzen er op dat het perceel in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur is aangeduid als terrein van hoge archeologische waarde.

2.11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat blijkens paragraaf 5.2. van de plantoelichting voldoende rekening is gehouden met de aanwezige archeologische waarden.

2.11.2. Aan het perceel is gedeeltelijk de bestemming "Verkeersdoeleinden 1" toegekend ten behoeve van de aanleg van de noordelijke ontsluitingsweg.

2.11.3. Volgens paragraaf 5.2 van de plantoelichting is verkennend archeologisch onderzoek op de door de stichting en [appellant sub 4a] genoemde gronden vooralsnog niet mogelijk. Gelet hierop heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit de plantoelichting blijkt dat voldoende rekening is gehouden met de gevolgen van de aanleg van een weg voor de op het perceel aanwezige archeologische waarden.

2.11.4. Ter zitting is gebleken dat ook nadien geen archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden, terwijl op de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur, vastgesteld door het college op 13 februari 2007, de desbetreffende gronden zijn aangeduid als terrein van hoge archeologische waarde. Ingevolge de Nota Regels voor Ruimte, vastgesteld door het college op 8 maart 2005 en nadien gewijzigd, en zoals deze geldt per 1 januari 2007, dienen bestemmingsplannen een juridische regeling te bevatten die dergelijke terreinen in voldoende mate bescherming biedt tegen werkzaamheden die zouden kunnen leiden tot verstoring van het bodemarchief.

2.11.5. In de Nota Regels voor Ruimte is voorts het volgende vermeld:

"De nota bevat beleidsregels als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. [...] Gezien het feit dat de nota alleen de regels geeft die voor GS van wezenlijk provinciaal belang zijn, wordt bij de plantoetsing uitgegaan van één hardheidsgradering. Dit betekent dat bij afwijking van de regels uit het toetsingskader in beginsel goedkeuring wordt onthouden aan (onderdelen van) het vastgestelde bestemmingsplan."

2.11.6. Aan de bestemming "Verkeersdoeleinden 1" is geen aanlegvergunningstelsel verbonden en het bodemarchief wordt ter plaatse ook anderszins juridisch niet beschermd. Weliswaar zijn volgens de raad afspraken gemaakt over de wijze waarop de weg kan worden aangelegd zonder archeologische waarden te beschadigen en wordt het maaiveld niet geroerd, zodat eventuele resten in situ worden geconserveerd, maar in het plan is dit niet vastgelegd. De weg kan dus ook op een andere wijze worden aangelegd. Niet is gebleken dat toepassing van dit beleid voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Gelet hierop had het college goedkeuring aan het plandeel moeten onthouden wegens strijd met de Nota Regels voor Ruimte.

2.12. De stichting en [appellant sub 4a] betogen voorts dat de noordelijke ontsluitingsweg in strijd is met de Nota Regels voor Ruimte, omdat de cultuurhistorisch waardevolle zichtas vanuit de buitenplaats Berbice wordt aangetast. Zij wijzen er op dat de zichtas in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur is aangeduid als zichtas met een zeer hoge waarde en dat de weg vanwege de veengronden verhoogd moet worden aangelegd.

2.12.1. Het college heeft betoogd dat het landgoed Berbice thans al van het bestreden plandeel wordt afgesneden door de Leidseweg, maar daarmee heeft het college naar het oordeel van de Afdeling miskend dat door de aanleg van de ontsluitingsweg, die haaks op de Leidseweg in het verlengde van de zichtas zal worden aangelegd, het zicht vanuit het landgoed onherroepelijk zal veranderen. Aldus heeft het college in het bestreden besluit het belang bij behoud van de zichtas niet afgewogen tegen het belang bij aanleg van de ontsluitingsweg op deze plek. Dit klemt te meer, nu de zichtas in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur is aangeduid als zichtas met een zeer hoge waarde, zodat niet bij voorbaat vaststaat dat daaraan slechts een zeer gering gewicht hoeft te worden toegekend.

Gelet hierop berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

2.12.2. De conclusie is dat hetgeen de stichting en [appellant sub 4a] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft de noordelijke ontsluiting niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van de stichting en [appellant sub 4a] is gegrond. Hieruit volgt dat het bestreden besluit voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden 1" gelegen ten noorden van de nieuwe woonwijk wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.12.3. De conclusie is voorts dat hetgeen de stichting en [appellant sub 4a] hebben aangevoerd ten aanzien van het perceel, kadastraal bekend gemeente Voorschoten, sectie […], nr. […], aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich in zoverre niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft, door dat plandeel goed te keuren, voorts gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Hieruit volgt dat er in zoverre rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan dit plandeel. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen de Stichting en [appellant sub 4a] overigens hebben aangevoerd thans geen bespreking.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.13. [appellant sub 2] betoogt dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang dat hij heeft bij een doorvaarthoogte van de nieuwe brug over de Krimsloot van tenminste 1,90 meter. Bij een lagere hoogte zal hij niet meer met zijn motorboot van zijn ligplaats naar de Vliet kunnen varen. [appellant sub 2] acht de aangeboden alternatieve ligplaats voor zijn motorboot niet aanvaardbaar, omdat deze niet is beveiligd.

2.13.1. [appellant sub 2] woont in een woonark in de Krimsloot. Bij zijn woonark heeft hij een ligplaats voor een motorboot, die hij recreatief gebruikt en die een minimale doorvaarthoogte van 1,90 meter vereist. Thans kan hij ongehinderd van zijn ligplaats naar de Vliet varen. In het plan is voorzien in een vaste brug over de Krimsloot, die de nieuwe woonwijk via de noordelijke ontsluitingsweg zal verbinden met de Voorschoterweg. Ingevolge artikel 12, tweede lid, onder g, van de planvoorschriften, dient de (onder)doorvaarthoogte voor niet te openen bruggen minimaal 1,65 meter te bedragen.

2.13.2. Niet in geschil is dat zal worden voorzien in een brug met een (onder)doorvaarthoogte van 1,65 meter. Het college stelt zich op het standpunt dat verhoging van de minimale (onder)doorvaarthoogte van de brug van de voorgenomen 1,65 meter tot 1,90 meter een te ingrijpende aanpassing van de ontsluitingsweg vergt en dat het talud te steil wordt, het landschap te veel wordt aangetast en de meerkosten te hoog worden. Het belang van [appellant sub 2] weegt hier niet tegen op, aldus het college. Volgens het college is door het aanbieden van een alternatieve ligplaats voldoende rekening gehouden met zijn belangen.

2.13.3. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college aan het belang van [appellant sub 2] bij een vrije doorvaart naar de Vliet overwegende betekenis had moeten toekennen. Het college heeft voldoende kunnen achten dat aan [appellant sub 2] een alternatieve ligplaats in de nabijheid is aangeboden. Voorts is van belang dat [appellant sub 2] op grond van artikel 49 van de WRO kan verzoeken om schadevergoeding. Geen grond bestaat voor de verwachting dat de eventueel nadelige invloed van het plan voor [appellant sub 2] zo groot zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan op voorhand een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.13.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.14. Het college wordt op na te melden wijze tot vergoeding van proceskosten van [appellanten sub 1] en van de Stichting en [appellant sub 4a] veroordeeld. Wat betreft [appellanten sub 3] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 3] en de stichting en [appellant sub 4a] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van 10 juli 2007, kenmerk PHZ-2007-185685 A, voor zover het betreft de plandelen die zijn aangemerkt op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

III. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden 1", voor zover het betreft het perceel, kadastraal bekend gemeente Voorschoten, sectie […], nr. […];

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 10 juli 2007, voor zover het betreft het onder III genoemde plandeel;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] en de stichting en [appellant sub 4a] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand; een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshondervierenveertig euro) dient door de provincie Zuid-Holland aan [appellanten sub 1] en aan de stichting en [appellant sub 4a] ieder onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan [appellanten sub 1], [appellanten sub 3] en de stichting en [appellant sub 4a] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 1] en [appellanten sub 3] ieder en van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor de stichting en [appellant sub 4a] en vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. J.G.C. Wiebenga, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Bošnjaković

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2008

410.

plankaart