Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD1083

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
200705296/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Delft (hierna: de raad) bij besluit van 27 januari 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2005" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705296/1.

Datum uitspraak: 7 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beide gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Delft (hierna: de raad) bij besluit van 27 januari 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2005" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief van 25 juli 2007, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2007, beroep ingesteld.

Het college van burgemeester en wethouders van Delft heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Er zijn nadere stukken ingediend door [appellanten] alsmede het college van burgemeester en wethouders van Delft. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2008, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. J. Hiemstra, advocaat te Delft, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Soetbrood Piccardt, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door M.M. de Vaal, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. [appellanten] oefenen een transportbedrijf uit op het perceel [locatie a] te Delft (hierna: het bedrijfsperceel) en hebben het aanliggende perceel, [locatie b] te Delft (hierna: het perceel) aangekocht met het oog op uitbreiding van het transportbedrijf, onder meer door de bouw van een nieuwe loods.

Bij uitspraak van 3 mei 2006, zaak no. 200509172/1 heeft de Afdeling het eerdere besluit van het college omtrent goedkeuring van 6 september 2005 vernietigd, voor zover goedkeuring was verleend aan een nader op de bij die uitspraak behorende kaart aangeduid deel van het plangebied, te weten een deel van het plandeel met de bestemming "Erf" op het perceel en een deel van het plandeel met de bestemming "Bedrijfdoeleinden" op het bedrijfsperceel.

Bij het bestreden besluit is goedkeuring onthouden aan de met evenbedoelde kaart identieke onderdelen van het plan en is, met toepassing van artikel 30, tweede lid van de WRO, de termijn voor het vaststellen van een nieuw plan gesteld op drie jaar.

[appellanten] hebben de beroepsgrond, specifiek betrekking hebbend op de termijnstelling, ter zitting ingetrokken.

2.3. [appellanten] stellen in beroep dat het college bij het bestreden besluit ten onrechte heeft gesteld dat een uitbreiding van 10% van hun bedrijf redelijk is. Naar hun stellen hebben de daaraan door het college ten grondslag gelegde argumenten eerder bij de Afdeling voorgelegen maar hebben die geen doel getroffen. Voorts hebben [appellanten] gesteld dat de loods die zij wensen te bouwen niet kan worden ingepast indien er slechts met 10% mag worden uitgebreid. Ook wijzen zij er op dat de Afdeling in de eerdere uitspraak heeft meegewogen dat het onmogelijk is die loods op te richten op de in het plan toebedachte plek. Naar de mening van [appellanten] dient de gewenste en noodzakelijke uitbreiding minimaal dat deel van het perceel te beslaan, waaraan goedkeuring is onthouden. Voorts lijkt het besluit van het college volgens [appellanten] innerlijk tegenstrijdig nu aan een groter gebied goedkeuring wordt onthouden dan nodig voor verwezenlijking van de door het college toebedachte 10% uitbreiding.

2.3.1. Het bestreden besluit van het college van 5 juni 2007 is een heroverweging van dat deel van het eerdere besluit omtrent goedkeuring van 6 september 2005 dat bij voornoemde uitspraak van de Afdeling is vernietigd. In verband hiermee kunnen met het beroep uitsluitend die plandelen aan de orde worden gesteld waarop de vernietiging betrekking had. Voor het overige is het plan in rechte onaantastbaar geworden. In deze procedure kan daarom een uitbreiding van het bedrijfsperceel en de bebouwingsmogelijkheden buiten de plandelen waarop de vernietiging door de Afdeling betrekking heeft niet aan de orde komen.

Bij het nemen van een nieuw besluit omtrent goedkeuring diende het college ten aanzien van de plandelen waarop de eerdere vernietiging betrekking heeft, behoudens nieuwe feiten en omstandigheden, met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling opnieuw te beslissen op de bedenkingen.

Door de onthouding van goedkeuring aan het planonderdeel waartegen de inhoudelijke beroepsgronden van [appellanten] zijn gericht, is in zoverre aan de in de eerdere beroepsprocedure bij de Afdeling aangevoerde beroepsgronden van [appellanten] tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de raad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan.

De Afdeling vat het beroep van [appellanten] daarom aldus op dat zij zich er tegen verzetten dat aan de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag zijn gelegd.

2.3.2. Het college heeft naar voren gebracht dat het bieden van 10% uitbreidingsruimte in het algemeen als redelijk wordt gezien en dat de bedrijfsvoering niet in gevaar komt indien een deel van de onderneming op een andere locatie is ondergebracht. In het bestreden besluit stelt het college zich verder op het standpunt dat het transportbedrijf in het Streekplan Zuid-Holland West van 19 februari 2003 (hierna: het streekplan) is gelegen buiten de daarin opgenomen bebouwingscontour en dat de desbetreffende gronden in het streekplan aangewezen zijn voor "Openluchtrecreatiegebied of stedelijk groen", terwijl het bedrijf ingevolge het streekplan ook deel uit maakt van een "Bebouwingslint met cultuurhistorische waarde". Deze laatste aanduiding betekent volgens het college dat er beperkingen gelden ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen vanwege de cultuurhistorische waarde, vooral in relatie tot het omringende landschap. Bovendien maakt het gebied volgens het college onderdeel uit van de Groenblauwe Slinger. Hetgeen omtrent het betreffende gebied is vastgelegd in het streekplan en de nota Regels voor Ruimte, weegt volgens het college zwaar, zodat het geen aanleiding ziet om voor het bedrijf van [appellanten] af te wijken van de gebruikelijke 10% uitbreidingsruimte. In het bestreden besluit stelt het college voorts dat het deze 10% uitbreidingsruimte ziet als uitbreiding van het bedrijfsperceel en de aanwezige bebouwingsmogelijkheden die in het plan mogelijk worden gemaakt binnen de bedrijfsbestemming van het bedrijfsperceel van het transportbedrijf.

2.3.3. De Afdeling heeft bij de gedeeltelijke vernietiging van het eerdere besluit omtrent goedkeuring in aanmerking genomen dat het college in beginsel met enige uitbreidingsmogelijkheden voor het transportbedrijf kan instemmen maar dat hij er daarbij ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de toegekende uitbreidingsmogelijkheden binnen de bebouwingsstrook op het bedrijfsperceel niet reëel kunnen worden geacht. Voorts heeft de Afdeling bij die uitspraak geoordeeld dat niet valt in te zien dat binnen het bedrijfsperceel nog voldoende uitbreidingsruimte aanwezig is.

De Afdeling heeft hiermee niet het oordeel uitgesproken dat een meer dan beperkte uitbreiding van het bedrijfsperceel van [appellanten] en de op hun percelen aanwezige bebouwingsmogelijkheden aangewezen was.

In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd bestaat verder geen aanleiding voor het oordeel dat de door het college gegeven motivering om een uitbreiding van 10% van het bedrijf - zowel voor het bebouwingsvlak als voor het bedrijfsperceel - als grens te hanteren onredelijk is. In dit verband is door het college terecht betekenis toegekend aan de in het bestreden besluit genoemde elementen uit het streekplan en de nota Regels voor Ruimte, terwijl [appellanten] niet aannemelijk hebben gemaakt dat binnen hun percelen geen werkbare bedrijfsvoering kan worden verwezenlijkt met inachtneming van de door het college gegeven beperkingen.

Ook slaagt niet het betoog van [appellanten] dat het bestreden besluit tegenstrijdig is omdat het college daarin enerzijds stelt dat slechts ten hoogste 10% uitbreiding van het bedrijfsperceel en de aanwezige bebouwingsmogelijkheden aanvaardbaar is, maar anderzijds goedkeuring onthoudt aan een groter deel van het plangebied. Door aan een ruimer gebied dan strikt noodzakelijk is goedkeuring te onthouden ontstaat juist ruimte voor [appellanten] om met het gemeentebestuur in overleg te treden over de wijze waarop de uitbreiding van met name de bebouwingsmogelijkheden plaats kan vinden.

2.4. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de bestreden motivering aan het besluit tot onthouding van goedkeuring ten grondslag heeft kunnen leggen.

Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2008

45-547.