Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD1082

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
200700707/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2006 heeft de gemeenteraad van Bronckhorst het bestemmingsplan "Buitengebied 2005 Hengelo/Vorden" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/574
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700707/1.

Datum uitspraak: 7 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1],

2. [appellanten sub 2],

3. [appellanten sub 3], allen wonend te Hengelo, gemeente Bronckhorst,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Landgoed 't Vossebosch B.V.", gevestigd te Hengelo, gemeente Bronckhorst,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2006 heeft de gemeenteraad van Bronckhorst het bestemmingsplan "Buitengebied 2005 Hengelo/Vorden" (hierna: het plan) vastgesteld.

Bij besluit van 5 december 2006, no. 2006-011389, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief van 25 januari 2007, bij de Raad van State op dezelfde datum per fax ingekomen, [appellanten sub 2] bij brief van 26 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2007, [appellanten sub 3] bij brief van 25 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2007, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Landgoed 't Vossebosch B.V." (hierna: Landgoed 't Vossebosch B.V.) bij brief van 29 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2007, beroep ingesteld. Landgoed 't Vossebosch B.V. heeft haar beroep aangevuld bij brief van 27 februari 2007 en [appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 9 mei 2007. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 7 juni 2007 en [appellanten sub 3] bij brief van 9 oktober 2007.

Bij brief van 10 mei 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 13 juli 2007 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad van Bronckhorst en [appellanten sub 3]. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2008, waar [een van de appellanten sub 1] in persoon, bijgestaan door mr. M.E. Bosman, advocaat te Arnhem, [appellanten sub 2], in persoon en bijgestaan door mr.drs. B.J.P.M. Zwinkels, advocaat te Honselersdijk, [een van de appellanten sub 3] in persoon, Landgoed 't Vossebosch B.V., vertegenwoordigd door ing. A.F. van Marle, werkzaam bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Rentmeesterskantoor Witte B.V.", en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.R.M. Nelissen, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de gemeenteraad van Bronckhorst, vertegenwoordigd door mr. M. Jolink, ambtenaar in dienst van de gemeente en [belanghebbende].

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een planologische regeling voor het buitengebied van de voormalige gemeenten Hengelo en Vorden. Het college heeft, voor zover hier van belang, goedkeuring verleend aan het plan.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De beroepen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2]

2.3. [appellanten sub 1] stellen in beroep onder meer dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover dat betrekking heeft op hun perceel [locatie 1] te Hengelo, nu het plan ten aanzien van dat perceel voorziet in de bestemming "Bos en Natuur" en de nadere aanduiding "recreatiewoning" en niet in een woonbestemming. Volgens hen heeft het college miskend dat zij recht hebben op een woonbestemming, zoals was voorzien in het ontwerpbestemmingsplan, nu hun woning vanaf de bouw in 1964 permanent bewoond is geweest en het perceel tijdens de bouw van de woning een woonbestemming had. Daarnaast viel de permanente bewoning naar zij stellen onder het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan en is het onzeker of het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. [appellanten sub 1] stellen dat bij de vaststelling van het plan een onzorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden en zij doen een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel.

[appellanten sub 2] stellen in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover dat betrekking heeft op hun perceel [locatie 2] te Hengelo, nu het plan ten aanzien van dat perceel voorziet in de bestemmingen "Bos en Natuur" en "Agrarisch gebied met hoge natuur- en landschapswaarden" en de nadere aanduiding "recreatiewoning" en niet in een woonbestemming. Zij voeren hiertoe onder meer aan dat het sinds 1970 bestaande gebruik van de woning op het perceel ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht, nu niet vaststaat dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Voorts zijn appellanten van mening dat zij mochten vertrouwen op de toezegging van de gemeente dat hun woning in het plan een woonbestemming zou krijgen. Op grond van deze toezegging hebben zij de woning in 1999 gekocht voor een prijs die behoort bij een woning met een woonbestemming en hebben zij verschillende verbouwingen uitgevoerd en bouwwerken op het perceel opgericht. Ook zijn [appellanten sub 2] van mening dat ten onrechte geen onderscheid is gemaakt tussen hun woning en de overige recreatiewoningen in het gebied en dat een onzorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden.

2.3.1. Het plan is, voor zover hier van belang, na het aannemen van een amendement daartoe, gewijzigd vastgesteld voor de percelen [locatie 1] en [locatie 2] te Hengelo. Daarbij is de in het ontwerpbestemmingsplan aan deze percelen toegekende woonbestemming gewijzigd in een natuur- onderscheidenlijk een agrarische bestemming met de aanduiding "recreatiewoning", hetgeen betekent dat ter plaatse één recreatiewoning is toegestaan. Ter toelichting is in het amendementsvoorstel gesteld dat het toekennen van een woonbestemming aan de woningen op voornoemde percelen tot ernstige rechtsongelijkheid binnen de gemeente zal leiden en dat het gelijkheidsbeginsel in deze ertoe verplicht om in vergelijkbare gevallen eenzelfde beleid te voeren.

2.3.2. Ingevolge artikel 1, lid 63, van de voorschriften van het plan, voor zover hier van belang, wordt onder "recreatiewoning" verstaan een permanent aanwezig gebouw, bestemd om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar bewoond te worden uitsluitend voor recreatieve doeleinden.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder i, van de voorschriften van het plan is het verboden opstallen - of delen daarvan - en gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming. Daaronder wordt, voor zover thans van belang, in ieder geval verstaan het in gebruik geven, nemen en hebben van een recreatiewoning voor permanente bewoning.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, aanhef en onder a, van de voorschriften is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op het gebruik van opstallen - of delen daarvan - en grond strijdig met de bestemming aan de grond gegeven in het plan voor zover dit gebruik reeds plaatsvond ten tijde van het van kracht worden van dit plan, zolang in de aard van dat gebruik geen wijziging wordt aangebracht.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, onder b, van de voorschriften is het overgangsrecht niet van toepassing op het gebruik dat tevens in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan.

2.3.3. Onder vigeur van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied 1984", dat is vastgesteld op 29 april 1985 en is goedgekeurd op 25 juni 1986, hadden de percelen [locaties 1 en 2] de bestemming "Zomerhuisjes".

Ingevolge artikel 33, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften van voornoemd bestemmingsplan is de op de kaart voor "Zomerhuisjes" aangewezen grond bestemd voor recreatieve bewoning met daartoe dienende zomerhuisjes en eventuele aangebouwde of vrijstaande garages, carports en/of bergruimten.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, is het verboden opstallen - of delen daarvan - en gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 51, zesde lid, voor zover hier van belang, is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op het gebruik van opstallen - of delen daarvan - en grond strijdig met de bestemming aan de grond gegeven in het plan, voor zover dit gebruik reeds plaatsvond ten tijde van het van kracht worden van het plan, zolang in de aard van dat gebruik geen wijziging wordt aangebracht.

2.3.4. Op 10 december 1963 is een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend voor de bouw van een systeemwoning met een oppervlakte van 90 m2 op het perceel [locatie 1]. Het college van burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Hengelo heeft deze vergunning op 20 april 1964 verleend, waarna het gebouw ook in dat jaar gebouwd is. De bebouwing op het perceel is sinds 1964 legaal uitgebreid met onder meer een berging en een plantenkas. Voorts is bij besluit van 14 februari 2005 door voornoemd college vergunning verleend voor de bouw van een garage/berging met een oppervlakte van ongeveer 56 m2 op voornoemd perceel.

Niet in geding is dat de woning vanaf de bouw in 1964 permanent is bewoond. [appellanten sub 1] hebben de woning in 2003 gekocht en bewonen deze sindsdien permanent.

2.3.5. De woning op het perceel [locatie 2] is in 1962 gebouwd. Op 17 december 1962 heeft het college van burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Hengelo een vergunning verleend voor de bouw van een bungalow met een oppervlakte van 100 m2 op voornoemd perceel. De bebouwing op het perceel is sinds 1962 aanzienlijk uitgebreid. Zo heeft hetzelfde college op 2 december 1968 een vergunning verleend voor het vergroten van het woonhuis aan de [locatie 2] en op 4 november 1968 voor het oprichten van een garage met bergruimte op voornoemd perceel. Voorts is op 4 december 2000 een vergunning verleend voor de bouw van een hobbykas.

Niet in geding is dat de woning in ieder geval sinds 1970 - in welk jaar de bewoners zich in de voorganger van de gemeentelijke basisadministratie lieten inschrijven - permanent wordt bewoond. [appellanten sub 2] hebben de woning in 1999 gekocht en bewonen deze sindsdien permanent.

2.3.6. Zo al niet direct uit de op 20 april 1964 respectievelijk 17 december 1962 verleende vergunningen moet worden afgeleid dat deze zijn verleend voor de bouw van woningen, bestemd voor permanente bewoning, moet in ieder geval worden geoordeeld dat de woningen op de onderhavige percelen wat betreft grootte en opzet destijds als niet-recreatieve woningen zijn gebouwd. Voorts geldt voor beide woningen dat door het college van burgemeester en wethouders verscheidene bouwvergunningen zijn verleend op grond waarvan de woonfunctie van de bebouwing verder is versterkt.

Voorts moet op grond van het hiervoren onder 2.3.3. overwogene worden geconstateerd dat het gebruik van de woningen voor permanente bewoning op de percelen [locaties 1 en 2], in het voorgaande bestemmingsplan onder het overgangsrecht is gebracht. Nu de percelen in het plan geen woningbestemming hebben gekregen en de woningen als recreatiewoning zijn aangeduid, is het gebruik van de woningen voor permanente bewoning op deze percelen, gelet op de formulering van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder i en tweede lid, aanhef en onder a en b, van de voorschriften van het onderhavige plan thans wederom onder het overgangsrecht gebracht.

Onder omstandigheden kan het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van het bestaande gebruik van een perceel aanvaardbaar zijn. Hiervoor is in gevallen als de onderhavige in ieder geval vereist dat de gemeenteraad voldoende aannemelijk maakt dat deze vorm van gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat de gemeenteraad van Bronckhorst bij de afweging van de belangen die heeft geleid tot de keuze voor de aanduiding "recreatiewoning" heeft betrokken of en zo ja, op welke wijze het bestaande gebruik van de woningen op de onderhavige percelen binnen de planperiode zal worden beëindigd. Hierbij is van belang dat niet is gebleken dat de gemeenteraad heeft gepoogd met [appellanten sub 1] respectievelijk [appellanten sub 2] overeenstemming te bereiken over beëindiging van het gebruik van de woningen voor permanente bewoning of de eventuele verwerving van de percelen dan wel voornemens is tot onteigening over te gaan. Evenmin is gebleken dat de gemeenteraad bij de afweging van de belangen heeft betrokken dat de permanente bewoning in het vorige plan reeds onder het overgangsrecht is gebracht.

Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is dat het bestaande gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Het college heeft dit miskend.

2.3.7. Het perceel [locatie 1] ligt in een gebied dat op de kaart van het streekplan Gelderland 2005 (hierna: het streekplan) is aangeduid als "multifunctioneel gebied". Het perceel [locatie 2] ligt aan de uiterste rand van het zogenoemde "groenblauwe raamwerk", zoals aangegeven op voornoemde kaart.

In het streekplan is vermeld dat legalisatie - omzetting van recreatiewoningen naar reguliere woningen - slechts mogelijk is indien de woningen voldoen aan het bouwbesluit 2003, ze buiten het groenblauwe raamwerk zijn gelegen, er wordt voldaan aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening en milieueisen, en handhaven niet tot de mogelijkheden behoort.

Alhoewel vast staat dat het perceel [locatie 2] aan de uiterste rand van het groenblauwe raamwerk is gelegen en derhalve voor dit perceel niet wordt voldaan aan de in het streekplan genoemde voorwaarden voor omzetting van recreatiewoningen naar reguliere woningen, wordt overwogen dat, nu het geen concrete beleidsbeslissing dan wel essentiële beleidsbeslissing betreft, afwijken van het streekplan onder bijzondere omstandigheden mogelijk is.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden van de onderhavige gevallen, waaronder met name de van meet af aan ruime opzet van de woningen, de versterking van de woonfunctie door het verlenen van daarmee verband houdende bouwvergunningen en de lange duur van de permanente bewoning van de woningen, is de Afdeling van oordeel dat het college er ten onrechte mee heeft ingestemd dat de raad aan beide woningen geen woonbestemming heeft toegekend.

2.3.8. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor de conclusie dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met bestemmingen "Bos en Natuur" en "Agrarisch gebied met hoge natuur- en landschapswaarden" en de nadere aanduiding "recreatiewoning" ter plaatse van de percelen [locaties 1 en 2] niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. De beroepen zijn gegrond en het bestreden besluit dient wegens strijd met het bepaalde in artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan voornoemde plandelen.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan evenbedoelde plandelen. Gelet hierop behoeven de overige door [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] aangevoerde gronden geen bespreking.

Het beroep van [appellanten sub 3]

2.4. [appellanten sub 3] richten zich in beroep tegen de goedkeuring van de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" voor het perceel [locatie 3] te Hengelo. Naar zij stellen zijn in het plan, in vergelijking met de eerder verleende vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO, ten onrechte meer aanliggende gronden bestemd voor het dierenpension "Het Hoge Broek" en dienen de omliggende gronden een agrarische bestemming te behouden. Zij zijn van mening dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de op grond van het plan toegestane vergroting van het dierenpension en zij verwijzen onder meer naar de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2006, no. 200601709/1. Daarnaast voeren [appellanten sub 3] aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat voornoemd perceel deels binnen een zone van 250 meter van een kwetsbaar gebied, dat deel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS), is gelegen. Voorts wordt naar hun mening niet voldaan aan de regels met betrekking tot het hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing. Tot slot voeren zij aan dat het perceel binnen de zone Landelijk Gebied B van het streekplan is gelegen en dat de vestiging van het dierenpension hiermee in strijd is.

2.4.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het planologisch toestaan van het dierenpension reeds een procedure op grond van artikel 19 van de WRO is doorlopen.

2.4.2. In het plan is aan een gedeelte van ongeveer 8.000 m2 van het perceel [locatie 3] de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" toegekend. Binnen het aldus bestemde gebied liggen het woonhuis van [belanghebbende] met privétuin, de dierenverblijven, een parkeerplaats en drie speelweiden. Voorts is aan de zuidzijde van de bebouwing van het dierenpension een uitlaatterrein in gebruik met een oppervlakte van ongeveer 7.500 m2. Dit terrein ligt buiten de gronden met de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf", op gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden".

2.4.3. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de voorschriften van het plan, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Niet-agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een niet-agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 7, derde lid, onder a, van de voorschriften, gelezen in combinatie met bijlage A bij de voorschriften, bedraagt de gezamenlijke bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen, opslag en de dienstwoning met de daarbij behorende bijgebouwen op het onderhavige perceel 275 m2, en mag deze op grond van het plan worden uitgebreid tot 330 m2.

Ingevolge artikel 17 van de voorschriften, gelezen in samenhang met de bij dit voorschrift behorende tabel, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen voor de uitbreiding tot maximaal 10 procent van het bestaande oppervlak van gebouwen op het onderhavige perceel.

2.4.4. Bij besluit van 18 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo aan [belanghebbende] bouwvergunning en vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO verleend ten behoeve van het verbouwen van een veeschuur tot dierenpension op het perceel [locatie 3] te Hengelo. Dit besluit is onherroepelijk geworden.

Gelet op deze (recente) vrijstelling en bouwvergunning is de bestemming van het perceel overeenkomstig het bestaande gebruik als dierenpension - met daarbij enige mogelijkheid tot uitbreiding- in beginsel niet onjuist te achten. In hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd behoefde het college naar het oordeel van de Afdeling geen bijzondere omstandigheid te zien op grond waarvan niettemin tot het niet als zodanig bestemmen van het dierenpension had moeten worden overgegaan en daarom goedkeuring moest worden onthouden.

2.4.5. Uit de bij voornoemd besluit van 18 maart 2004 behorende kaart blijkt dat de vrijstelling is verleend voor het bouwwerk, dat thans fungeert als dierenpension, en de daarbij behorende dienstwoning. Anders dan het college en de gemeenteraad menen, is niet tevens vrijstelling verleend voor het gebruik van de omliggende gronden ten behoeve van het dierenpension. Op de bij het onderhavige plan behorende plankaart is een groter bestemmingsvlak ingetekend dan waarvoor bij evengenoemd besluit vrijstelling is verleend. Onjuist is derhalve de stelling van de gemeenteraad en het college dat het plan primair ziet op een ruimtelijke regeling van hetgeen reeds eerder is toegestaan.

Van een concreet onderzoek naar de ruimtelijke wenselijkheid van de buitenruimten en de situering daarvan alsmede een afweging van de daarbij betrokken belangen geeft het plan noch het bestreden besluit blijk. Een en ander klemt te meer nu ter zitting is gebleken dat de gemeenteraad voornemens is de verplaatsing mogelijk te maken van de speelweiden, die zich thans binnen het toegekende bestemmingsvlak ten noorden van de bebouwing bevinden, naar een plaats ten zuiden van die bebouwing en dat alle partijen zich hierin wellicht zouden kunnen vinden. De vorm van het in het plan toegekende bestemmingsvlak leent zich hiervoor niet. Het college heeft dit miskend.

2.4.6. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor de conclusie dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" voor het perceel [locatie 3] met uitzondering van de gronden waarop zich de reeds bestaande bebouwing bevindt, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient wegens strijd met het bepaalde in artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan voornoemd plandeel.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan evenbedoeld plandeel. De overige gronden van het beroep behoeven, gelet hierop, geen bespreking.

Het beroep van Landgoed 't Vossebosch B.V.

2.5. Landgoed 't Vossebosch B.V. stelt in beroep dat haar recreatiewoning, genaamd het Vossenhol, gelegen op landgoed 't Vossebosch, ten onrechte niet positief is bestemd. Bij de belangenafweging is naar haar mening ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat de recreatiewoning in ieder geval sinds 1967 als zodanig in gebruik is. Daarnaast is zij van mening dat de staat van de recreatiewoning ten onrechte bij de besluitvorming is betrokken. Pas als de recreatiewoning positief wordt bestemd, kan deze worden opgeknapt, aldus Landgoed 't Vossebosch B.V. Tot slot voert Landgoed 't Vossebosch B.V. aan dat een goede ruimtelijke ordening zich niet verzet tegen een recreatiewoning ter plaatse als ondersteuning van haar landgoed. Bovendien is niet voorzien in de mogelijkheid het gebruik voort te zetten en het gebouw aan te passen.

2.5.1. De gemeenteraad van Bronckhorst heeft zich op het standpunt gesteld dat een eerder verzoek van Landgoed 't Vossebosch B.V. om een bestemming voor recreatief wonen evenmin is gehonoreerd omdat niet was gebleken dat het object als recreatiewoning kon worden aangemerkt. Daarnaast geven de feitelijke waarneming van het bouwwerk, de staat van onderhoud en de aanwezige voorzieningen geen aanleiding om tot een recreatieve bestemming van het bouwwerk over te gaan en verzet de gegeven bestemming "Bos- en natuurgebied" zich niet tegen een gebruik van het bouwwerk als schuilhut of nachtverblijf voor wildbeheer, aldus de gemeenteraad.

Het college heeft zich daarenboven op het standpunt gesteld dat het feit dat het bouwwerk in het verleden voor recreatieve doeleinden is gebruikt, nog geen reden behoeft te zijn er de aanduiding "recreatiewoning" aan toe te kennen. Dit zou bovendien in strijd zijn met het provinciale beleid, aldus het college.

2.5.2. Het bouwwerk ligt op het terrein van landgoed ’t Vossebosch en is rond 1925 gebouwd. Niet is gebleken dat hiervoor een bouwvergunning is verleend. In het deskundigenbericht is vermeld dat ervan uit kan worden gegaan dat recreatief gebruik van het bouwwerk in het verleden heeft plaatsgevonden. In de voorgaande planologische regelingen is de aanwezigheid van het bouwwerk vermeld noch als zodanig bestemd.

2.5.3. Aan het terrein van landgoed ’t Vossebosch is in het plan de bestemming "Bos- en natuurterrein" toegekend. Gelet op artikel 6 van de voorschriften van het plan kunnen binnen deze bestemming aanwezige gebouwen worden aangeduid als "woning", "recreatiewoning" of "schuilhut". Ingevolge artikel 6, derde lid, onder b, van de voorschriften, voor zover thans van belang, mogen binnen deze bestemming schuilgelegenheden worden gebouwd ten behoeve van natuurbeheer, met een maximale hoogte en oppervlakte van 4 meter, respectievelijk 30 m2, en tot een maximum aantal van 1 per 25 hectare aaneengesloten bos- en natuurgebied.

In het streekplan is vermeld dat aan de bouw van solitaire recreatiewoningen geen medewerking wordt verleend. Verder is vermeld dat voor recreatiewoningen als nadere eis geldt dat deze slechts mogen worden opgericht en gebruikt voor verhuur ten behoeve van wisselend gebruik.

2.5.4. De Afdeling acht het beleid van het college en de gemeenteraad om geen medewerking te verlenen aan solitaire recreatiewoningen niet onredelijk. In hetgeen Landgoed 't Vossebosch B.V. heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college in zoverre blijk geeft van een onredelijke belangenafweging. Hierbij is in aanmerking genomen dat het Vossenhol nimmer als recreatiewoning bestemd is geweest en, nu vroeger noch thans sprake was van een volwaardige recreatieve ruimte, een positieve bestemming van dit gebouw een aanzienlijke uitbreiding van de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden met zich zou brengen.

Anderzijds is niet zonder belang dat de gemeenteraad en het college op zich niet afwijzend staan tegen een (gebruik van het Vossenhol als) schuilhut of nachtverblijf voor wildbeheer. Niet is bezien of bijvoorbeeld door het aanbrengen van een aanduiding "Schuilhut" in zoverre een positieve bestemming aan het gebouw kon worden gegeven. Het college heeft dit miskend.

2.5.5. De conclusie is dat hetgeen Landgoed 't Vossebosch B.V. heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zo ver daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming "Bos- en natuurgebied" ter plaatse van de op het landgoed 't Vossebosch gelegen gebouw het Vossenhol is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

Uit het vorenstaande volgt, mede gelet op de hetgeen het college en de gemeenteraad ter zitting naar voren hebben gebracht, dat rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is. De Afdeling ziet derhalve aanleiding om goedkeuring te onthouden aan evenbedoeld plandeel.

Proceskosten

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een veroordeling van het college in de proceskosten die [belanghebbende] als derde-partij heeft gemaakt acht de Afdeling geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 5 december 2006, kenmerk 2006-011389, voor zover het betreft:

A. de goedkeuring van de plandelen met bestemmingen "Bos en Natuur" en "Agrarisch gebied met hoge natuur- en landschapswaarden" en de nadere aanduiding "recreatiewoning" ter plaatse van de percelen [locaties 1 en 2];

B. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" voor het perceel [locatie 3], met uitzondering van de gronden waarop zich de reeds bestaande bebouwing bevindt;

C. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bos- en natuurgebied" ter plaatse van het op het landgoed 't Vossebosch gelegen gebouw het Vossenhol;

III. onthoudt goedkeuring aan:

A. de plandelen met bestemmingen "Bos en Natuur" en "Agrarisch gebied met hoge natuur- en landschapswaarden" en de nadere aanduiding "recreatiewoning" ter plaatse van de percelen [locaties 1 en 2];

B. het plandeel met de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" voor het perceel [locatie 3], met uitzondering van de gronden waarop zich de reeds bestaande bebouwing bevindt;

C. het plandeel met de bestemming "Bos- en natuurgebied" ter plaatse van het op het landgoed 't Vossebosch gelegen gebouw het Vossenhol;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 5 december 2006 voor zover het de onder III genoemde plandelen betreft;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij de volgende appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten:

A. bij [appellanten sub 1] tot een bedrag van € 838,38 (zegge: achthonderdachtendertig euro en achtendertig cent) waarvan € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

B. bij [appellanten sub 2] tot een bedrag van € 906,96 (zegge: negenhonderdzes euro en zesennegentig cent) waarvan € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

C. bij [appellanten sub 3] tot een bedrag van € 158,00 (zegge honderdachtenvijftig euro);

D. bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Landgoed 't Vossebosch B.V." tot een bedrag van € 805,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

de bedragen dienen door de provincie Gelderland aan de onderscheiden appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat door de provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt:

A. aan [appellanten sub 1] het bedrag van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro);

B. aan [appellanten sub 2] het bedrag van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro);

C. aan [appellanten sub 3] het bedrag van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro);

D. aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Landgoed 't Vossebosch B.V." het bedrag van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro).

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2008

45.