Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD1073

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2008
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
200708918/1 en 200708918/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uden (hierna: het college) aan Lunaris Consultancy bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een brede school op het perceel Landschrijversveld 540 te Uden.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 44
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/452

Uitspraak

200708918/1 en 200708918/2.

Datum uitspraak: 28 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/184 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 november 2007 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Uden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uden (hierna: het college) aan Lunaris Consultancy bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een brede school op het perceel Landschrijversveld 540 te Uden.

Bij besluit van 5 december 2006 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 27 juli 2006 gewijzigd ten aanzien van het parkeren en dat besluit voor het overige in stand gelaten.

Bij uitspraak van 8 november 2007, verzonden op 19 november 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2007, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2008, hebben [appellanten] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 17 april 2008, waar [appellanten], bijgestaan door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Brandwijk, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd met de geldende bestemming gedeeltelijk voorziet in bouwen ten behoeve van gebruik als woning.

2.2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een schoolgebouw, een logeerunit en een verblijfsunit. Ingevolge het uitwerkingsplan "Melle VIII", deel uitmakende van het bestemmingsplan "Melle", is aan de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Bijzondere doeleinden, klasse B, met bijbehorende erven (BDB)" toegekend.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor gebouwen van bijzondere aard (zoals scholen, kerken, bejaardentehuizen, verenigingsgebouwen en gebouwen voor sociale en culturele doeleinden) met de daarbij behorende bijgebouwen, dienstwoningen, andere bouwwerken, tuinen en speelterreinen.

2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juli 2005 in zaak nr. 200409527/1), dient bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dient mede te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Hetgeen [appellanten] ter zake hebben aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gegeven voor het oordeel dat de gebouwen voor andere doeleinden zullen worden gebruikt, dan waarin de bestemming voorziet. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de units zullen worden gehuurd door een stichting die hulp en zorg biedt aan mensen van verschillende leeftijden die speciale zorg behoeven. De ruimtes zullen worden gebruikt voor een vorm van begeleid wonen met de nadruk op zorg en educatie. Voor het oordeel dat deze gedeeltelijk verzorgende en gedeeltelijk educatieve functie van de gebouwen niet past binnen de bestemming Bijzondere doeleinden heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden. [appellanten] hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat de verblijfsunit en de logeerunit niet geschikt zijn voor gebruik ten behoeve van begeleid wonen.

Het betoog faalt.

2.3. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het maximale bebouwingspercentage en de maximaal toegestane goothoogte worden overschreden.

2.3.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften mag het bebouwde oppervlak van een bouwperceel niet meer bedragen dan het op de kaart voor het betreffende terrein aangegeven bebouwingspercentage.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften mag de goothoogte van de gebouwen (…) ten hoogste 10 m bedragen.

2.3.2. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat uit de planvoorschriften gelezen in samenhang met de plankaart volgt dat maximaal 40% van het bouwperceel mag worden bebouwd. Voor het oordeel dat moet worden uitgegaan van het bebouwingsvlak in plaats van het bouwperceel bestaat, gelet op de duidelijke bewoordingen van het planvoorschrift, geen grond. Dat het percentage van 40% wordt overschreden is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, gesteld, noch gebleken.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de bouwtekeningen bij de bouwvergunning geen aanwijzingen bevatten dat de maximale goothoogte van 10 m wordt overschreden. Waar [appellanten] stellen dat van een overschrijding sprake is, mag van hen worden verwacht dat zij die stelling met gegevens onderbouwen. [appellanten] hebben echter geen gegevens overgelegd die een begin van bewijs leveren dat van een overschrijding sprake is.

Het betoog faalt.

2.4. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat ten aanzien van het parkeren een adequate regeling ontbreekt, nu aan de bouwvergunning niet het voorschrift is verbonden dat de parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden aangelegd.

2.4.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Uden - voor zover thans van belang - moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort.

2.4.2. Blijkens de situatietekening die, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, deel uitmaakt van de bouwvergunning, voorziet het bouwplan in 34 parkeerplaatsen, met inbegrip van negen Kiss & Go plaatsen, op eigen terrein. Niet in geschil is dat daarmee wordt voldaan aan de geldende parkeernormen. Aan de bouwvergunning is voorts de voorwaarde verbonden dat gebouwd moet worden met inachtneming van de bepalingen van de bouwverordening van de gemeente Uden. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat de aanleg van de 34 parkeerplaatsen op eigen terrein voldoende is gegarandeerd.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2008

392.