Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0789

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
200705363/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2005 heeft de korpschef van de regiopolitie Gooi en Vechtstreek (hierna: de korpschef) aan [appellant] toestemming onthouden tot het verrichten van werkzaamheden voor een particuliere beveiligingsorganisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705363/1.

Datum uitspraak: 29 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2193 van de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van de regiopolitie Gooi en Vechtstreek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2005 heeft de korpschef van de regiopolitie Gooi en Vechtstreek (hierna: de korpschef) aan [appellant] toestemming onthouden tot het verrichten van werkzaamheden voor een particuliere beveiligingsorganisatie.

Bij besluit van 10 maart 2006 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juni 2007, verzonden op 15 juni 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 2007.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

De korpschef heeft de Afdeling een aantal dagrapporten afkomstig uit politieregisters toegezonden en op de voet van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verzocht te bepalen dat uitsluitend de Afdeling kennis mag nemen van deze stukken.

Op 5 december 2007 heeft de Afdeling in een andere samenstelling beslist dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. [appellant] heeft de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb geweigerd.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 april 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. S.E. Toffoletto, advocaat te Apeldoorn, en de korpschef, vertegenwoordigd door R.B.J. Buijs, werkzaam bij de regiopolitie Gooi en Vechtstreek, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wpbr), voor zover thans van belang, stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef van het politiekorps in de regio waar de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, wordt de toestemming, bedoeld in het tweede lid, onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

Ter uitvoering van de Wpbr heeft de minister van Justitie criteria voor het bepalen van bekwaamheid en betrouwbaarheid als hiervoor bedoeld neergelegd in de circulaire "Uitvoering Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus" (Stcrt. 1999, no. 60, hierna: de circulaire).

Volgens paragraaf 2.1 van de circulaire, voor zover thans van belang, wordt de toestemming aan personen bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid, van de Wpbr, onthouden indien:

a. (…)

b. de betrokkene binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd, of

c. op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten of deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

In paragraaf 2.1. is, voor zover hier van belang, verder vermeld dat het er bij de toetsing aan het onder c bepaalde om gaat dat de tewerkstelling van de betrokkene de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet mag schaden. Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven de rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Ook tegen betrokkene opgemaakte processen-verbaal of (dag)rapporten kunnen ertoe leiden dat betrokkene niet voldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken.

Volgens paragraaf 2.1.1 van de circulaire, voor zover thans van belang, kan de korpschef van de regio waar de organisatie is gevestigd van het hiervoor bepaalde afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.

2.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 21 september 2005 heeft de korpschef onder andere ten grondslag gelegd dat de strafrechter [appellant] op 8 maart 1999 een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden heeft opgelegd, ter zake de overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Voorts heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat volgens een aantal dagrapporten [appellant] tussen 2002 en 2005 meermalen onbeheerst gedrag heeft getoond, alsmede bij diverse gelegenheden dreigende taal heeft geuit tegen derden.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat met een voorwaardelijke gevangenisstraf reeds is voldaan aan de voorwaarde vermeld in paragraaf 2.1, aanhef en onder b, van de circulaire. Hiertoe stelt [appellant] dat nu de proeftijd ten tijde van het besluit van 21 september 2005 reeds was verstreken, zodat de gevangenisstraf nimmer ten uitvoer is gelegd, de voorwaardelijke gevangenisstraf niet kan worden aangemerkt als een veroordeling waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd.

Voorts betoogt [appellant] dat de door de korpschef overgelegde dagrapporten onvoldoende grondslag bieden voor het oordeel dat hij niet over voldoende betrouwbaarheid beschikt om beveiligingswerkzaamheden uit te voeren.

2.3.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2006 in zaak nr. 200601789/1 aangenomen dat een voorwaardelijke gevangenisstraf een omstandigheid betreft als bedoeld in paragraaf 2.1, aanhef en onder b, van de circulaire. Een zogenoemde voorwaardelijke gevangenisstraf is immers een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een voorwaardelijke niet-tenuitvoerlegging. Dat ten tijde van het besluit van 21 september 2005 de proeftijd was verstreken zonder dat de gevangenisstraf ten uitvoer is gelegd, doet dan ook niet af aan het feit dat een vrijheidsstraf is opgelegd.

2.3.2. Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat de dagrapporten onvoldoende grondslag bieden voor het oordeel dat hij niet over voldoende betrouwbaarheid beschikt om beveiligingswerkzaamheden uit te voeren, overweegt de Afdeling als volgt. Door zijn weigering de Afdeling de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb te verlenen, heeft [appellant] de Afdeling in zoverre de mogelijkheid ontnomen de aangevallen uitspraak te toetsen. In beginsel komen de gevolgen van een dergelijke weigering voor risico van [appellant]. In hetgeen hij in hoger beroep heeft aangevoerd kan geen reden worden gevonden hierop een uitzondering te maken.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op grond van de dagrapporten moet worden aangenomen dat [appellant] niet voldoende betrouwbaar of geschikt is in de zin van paragraaf 2.1, onder c, van de circulaire.

2.4. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de korpschef ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule, faalt dit eveneens. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 maart 2006, in zaak no. 200507695/1), volgt uit het imperatieve karakter van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr, anders dan appellant kennelijk meent, dat toepassing van de hardheidsclausule er niet toe mag leiden dat iemand die niet voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid, toch te werk gesteld mag worden. Bij de beslissing omtrent toepassing van de hardheidsclausule dient derhalve uitsluitend te worden beoordeeld of degene op wie het verzoek om toestemming betrekking heeft, hoewel hij niet aan de in de circulaire opgenomen eisen voldoet, toch over voldoende betrouwbaarheid beschikt.

De door [appellant] overgelegde getuigschriften van zijn vorige werkgevers, de omstandigheid dat hij ondersteuning krijgt van onder meer maatschappelijk werk en dat hij, naar hij stelt, de periode van overspannenheid achter zich heeft gelaten, leiden niet tot een dergelijk oordeel. Dat ten aanzien van hem door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst een veiligheidsonderzoek is ingesteld, dat hij met goed gevolg heeft ondergaan, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt, zodat dit reeds hierom evenmin kan leiden tot het oordeel dat hij toch over voldoende betrouwbaarheid beschikt.

2.5. De conclusie is dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat de korpschef terecht de toestemming tot het verrichten van werkzaamheden voor een particuliere beveiligingsorganisatie aan [appellant] heeft onthouden.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008

97-538.