Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0783

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
200703634/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeist (hierna: het college) aan Stichting Pensioenfonds voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen (hierna: PGGM) vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het uitbreiden van het bestaande kantoorgebouw, inclusief bedrijfsrestaurant en parkeerkelder op het perceel Kroostweg-Noord 149 te Zeist (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Besluit luchtkwaliteit 2005
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2008/94 met annotatie van De Vries
JOM 2008/467
Milieurecht Totaal 2008/5037
ABkort 2008/192

Uitspraak

200703634/1.

Datum uitspraak: 29 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de stichting Stichting Pensioenfonds voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen, gevestigd te Zeist,

2. vereniging Werkgroep Natuurlijk Zeist-West, gevestigd te Zeist en de stichting Stichting Milieuzorg Zeist en omstreken, gevestigd te Bilthoven,

tegen de uitspraak in de zaken nrs. 06/4140 en 07/113 van de rechtbank Utrecht van 16 april 2007 in het geding tussen:

de vereniging Werkgroep Natuurlijk Zeist-West en de stichting Stichting Milieuzorg Zeist en omstreken

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeist.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeist (hierna: het college) aan Stichting Pensioenfonds voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen (hierna: PGGM) vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het uitbreiden van het bestaande kantoorgebouw, inclusief bedrijfsrestaurant en parkeerkelder op het perceel Kroostweg-Noord 149 te Zeist (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 oktober 2006 heeft het college, voor zover thans van belang, het door de vereniging Werkgroep Natuurlijk Zeist-West en de stichting Stichting Milieuzorg Zeist en omstreken (hierna: de Werkgroep) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 april 2007, verzonden op 17 april 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door de Werkgroep daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben PGGM bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2007 en de Werkgroep, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2007, hoger beroep ingesteld. PGGM heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 19 juni 2007. De Werkgroep heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 30 juli 2007.

Bij besluit van 24 mei 2007 heeft het college de door de Werkgroep tegen het besluit van 29 augustus 2005 gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.

De Werkgroep heeft een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de Werkgroep. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2007, waar PGGM, vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Fransen, advocaat te Amsterdam, en ing. J. van Aalten, de Werkgroep, vertegenwoordigd door E. Schuler en P. Greeven, en dr. ir. J. Molenaar, en het college, vertegenwoordigd door Y. Kieft, ambtenaar in dienst van de gemeente, en drs. J.J. Niessink, werkzaam bij de Milieudienst Zuidoost Utrecht, zijn verschenen.

De Afdeling heeft aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het onderzoek te heropenen met het oog op het inwinnen van nadere schriftelijke inlichtingen als bedoeld in artikel 8:45 van deze wet.

Bij brief van 14 februari 2008 heeft het college aan het verzoek om nadere inlichtingen te verstrekken voldaan. Deze brief is aan de andere partijen toegezonden.

PGGM heeft bij brief, ingekomen bij de Raad van State op 11 maart 2008, een reactie ingediend.

De Werkgroep heeft bij brief, ingekomen bij de Raad van State op 18 maart 2008, een reactie ingediend.

Partijen hebben de Afdeling toestemming verleend om op grond van artikel 8:57 van de Awb nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van het bestaande kantoorgebouw van PGGM waardoor alle werknemers en activiteiten van de thans bestaande locaties in één gebouw zullen worden geconcentreerd. Het aantal werknemers op de locatie zal 1800 personen gaan bedragen en het bedrijfsvloeroppervlak zal worden uitgebreid van 27.400 m² naar 52.400 m². In het bouwplan is een ondergrondse parkeerkelder met een capaciteit van 1027 plaatsen opgenomen, die mede dient ter vervanging van de bestaande 626 bovengrondse parkeerplaatsen. Boven maaiveld zullen nog 20 parkeerplaatsen resteren. De hoofdtoegang wordt verplaatst naar de Noordweg.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zeist West 2002" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "kantoordoeleinden". Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat de uitbreiding van het bestaande gebouw grotendeels is geprojecteerd buiten het op de plankaart opgenomen bebouwingsvlak.

Om de bouw niettemin mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), vrijstelling van dat bestemmingsplan verleend.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.3. De Werkgroep betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de ruimtelijke onderbouwing en de belangenafweging van de vrijstelling ontoereikend zijn. Daartoe voert hij aan dat het bouwplan niet in overeenstemming is met het Structuurplan gemeente Zeist (hierna: het structuurplan), dat onvoldoende garanties zijn gesteld met betrekking tot de bescherming en versterking van de op het perceel aanwezige groenvoorzieningen en dat de toename van verkeer door het bouwplan tot verslechtering van de verkeersafwikkeling zal leiden.

2.3.1. Aan de besluitvorming zijn ten grondslag gelegd de "Gebiedsvisie Kroostweg-Noord, ruimtelijke onderbouwing kantoor PGGM" van augustus 2002 en de "Ecoscan Kroostweg-Noord, uitbreiding kantoor PGGM" van 6 maart 2003, beide van Adviesbureau Royal Haskoning, de "Aanpassing infrastructuur omgeving PGGM" van 10 september 2003 en het Bedrijfsvervoerplan van 6 januari 2003, beide van adviesbureau Goudappel Coffeng. Door het adviesbureau Tauw is op 23 augustus 2006 het rapport Inventarisatie natuurwaarden Kroostweg-Noord uitgebracht.

2.3.2. Niet in geschil is dat het bouwplan is gelegen binnen de rode contouren waarbinnen ingevolge het Streekplan 2005-2015 (hierna: het streekplan) verstedelijkingsambities moeten plaatsvinden. In het streekplan is opgenomen dat in wisselwerking met de opvangfunctie elders in het stadsgewest, het beschermen van de groene kwaliteiten in Zeist een belangrijke afwegingsfactor is in relatie tot verstedelijkingsambities. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het bouwplan niet in strijd met het streekplan kan worden geacht.

In het structuurplan is op pagina 163 in beleidsaanbeveling 3 opgenomen dat het type werkgelegenheid met nationale bekendheid, dat gevestigd is in de zone langs de Utrechtseweg in omvang niet verder dient door te groeien. Hoewel de Werkgroep terecht aanvoert dat het bouwplan op gespannen voet met deze bepaling staat, kan dit niet tot het daarmee beoogde resultaat leiden. Uit de stukken is gebleken dat grotendeels sprake is van de concentratie van reeds bestaande locaties van PGGM aan de Utrechtseweg op onderhavige locatie aan de Utrechtseweg. In zoverre kan niet van groei van werkgelegenheid als bedoeld in de beleidsaanbeveling gesproken worden. Weliswaar is enige groei van dit type werkgelegenheid aan de Utrechtseweg mogelijk, doch deze kan slechts relatief beperkt zijn. De Afdeling acht voorts van belang dat het bouwplan is voorzien op gronden waaraan de bestemming "kantoordoeleinden" in het bestemmingsplan reeds is toegekend. Bij de hoofdthema's van het structuurplan in hoofdstuk 5 is opgenomen dat voor het stedelijk gebied het thema van de intensivering geldt, waarbij het erom gaat binnen de bestaande structuur met behoud van de beeldkwaliteit het functionele pakket van wonen, werken en van de verzorgende instellingen te accomoderen, zonder verdere aantasting van het landschap. Voorts is in hoofdstuk 6 opgenomen dat bij verbouwing en verbetering van de kantoren wordt gestreefd naar een zorgvuldige inpassing in de zone van de Utrechtseweg binnen het huidige landschappelijke profiel. Nu in de stukken die aan de besluitvorming met betrekking tot het bouwplan ten grondslag liggen in ruime mate aandacht is besteed aan de landschappelijke inpassing ervan, acht de Afdeling de ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling in zoverre niet ontoereikend.

De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat ten gevolge van het bouwplan zodanig verlies van groenvoorzieningen zal optreden, dat het college om die reden in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen. Niet in geschil is dat de toepasselijke bepalingen van de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staan. In het bouwplan is in voldoende mate rekening gehouden met de negatieve effecten daarvan op de omgeving waarbij deze zoveel mogelijk zijn geminimaliseerd dan wel gecompenseerd. Voor het opnemen van voorwaarden bij de vrijstelling om een verdergaande versterking van natuurwaarden, zoals de Werkgroep voorstaat, te garanderen, heeft het college dan ook geen aanleiding hoeven zien.

2.3.3. Het bouwplan voorziet in een ontsluiting van het terrein waarbij ingaand verkeer via de Noordweg rijdt en het verkeer het terrein zal verlaten via de Kroostweg-Noord. Voor deze ontsluiting is gekozen om een spreiding van de verkeersdruk te bewerkstelligen. PGGM heeft zich jegens de gemeente Zeist verplicht alle verkeersmaatregelen uit te voeren zoals die in voormelde notitie "Aanpassing infrastructuur omgeving PGGM" van adviesbureau Goudappel Coffeng zijn beschreven. Deze notitie maakt onderdeel uit van de ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling. In de notitie zijn onder meer opgenomen een nieuwe verkeersregeling op het kruispunt Kromme-Rijnlaan/De Dreef/Utrechtseweg en maatregelen om de doorstroming van het verkeer op een veilige manier te verbeteren. In de notitie is berekend dat het spitsverkeer op de Utrechtseweg in 2015 met ongeveer 5% zal toenemen. Niet aannemelijk is geworden dat dit niet binnen de bestaande capaciteit kan worden opgevangen. Voorts is gekozen voor de in het rapport in paragraaf 4.1.2. beschreven variant waarin gemengd verkeer van de Noordweg-Noord gebruik zal maken, waarbij de veiligheid van fietsers zal worden beschermd door middel van het aanbrengen van snelheidsremmende maatregelen. Anders dan de Werkgroep betoogt heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de wijze waarop is voorzien in de verkeersafwikkeling niet als toereikend kan worden aangemerkt.

Voorts heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat er vooralsnog geen aanleiding is om te veronderstellen dat de Bisschopsweg intensief zal worden gebruikt door sluipverkeer. Daarbij is in aanmerking genomen dat de gemeente De Bilt een spitsverbod heeft ingesteld op de Hoofddijk en voorts dat de aanvoerroute naar de Bisschopsweg via de Tolakkerlaan alleen bereikbaar is via de Sportlaan in De Bilt. De enkele vrees van de Werkgroep dat koeriers en leveranciers van de route gebruik zullen maken, heeft de rechtbank terecht onvoldoende geacht om te oordelen dat het besluit van 13 oktober 2006 op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.

2.3.4. Het betoog van de Werkgroep faalt.

2.4. Anders dan de Werkgroep betoogt heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat in de aan de bouwvergunning en vrijstelling ten grondslag liggende stukken onvoldoende is ingegaan op de met het project samenhangende bouwwerkzaamheden en de wijze waarop kan worden voorkomen dat deze schade aan het terrein zullen veroorzaken. Afzonderlijke procedures worden gevoerd voor het verkrijgen van de benodigde vergunningen voor bepaalde werkzaamheden op het terrein en het aanleggen van tijdelijke parkeerplaatsen op het perceel.

Voorts heeft de rechtbank, anders dan de Werkgroep betoogt, terecht overwogen dat het feit dat PGGM geen eigenaar is van het gehele werkterrein er niet aan in de weg staat dat aan PGGM vrijstelling en bouwvergunning wordt verleend. Overigens is ter zitting naar voren gebracht dat deze grond naar verwachting op korte termijn door PGGM in eigendom zal worden verkregen.

2.5. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat, nu in de aan dat besluit ten grondslag liggende rapportages van de Milieudienst Zuidoost-Utrecht (hierna: de Milieudienst) van 2005 en 2006 ten aanzien van de luchtkwaliteit niet op bepaalde kruisingen is gemeten, het besluit van 13 oktober 2006 onvoldoende gemotiveerd is. Nu de rechtbank het beroep van de Werkgroep op dit punt gegrond heeft verklaard, en de overige overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de luchtkwaliteit in dit geval als overwegingen ten overvloede kunnen worden aanmerkt, zal de Afdeling de gronden van de Werkgroep die zien op het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) betrekken bij de beoordeling van het besluit van 24 mei 2007.

2.6. Het hoger beroep van de Werkgroep is ongegrond.

2.6.1. Bij besluit van 24 mei 2007 heeft het college opnieuw op de door De Werkgroep tegen het besluit van 29 augustus 2005 gemaakte bezwaren beslist. Het besluit van 24 mei 2007 is een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling zal dit besluit op voet van artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, in de beoordeling betrekken.

2.6.2. De Werkgroep heeft geen gronden tegen het besluit van 24 mei 2007 aangevoerd, voor zover het de naar aanleiding van de aangevallen uitspraak gewijzigde onderbouwing van de vrijstelling en bouwvergunning met betrekking tot de watertoets als bedoeld in artikel 19a van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 betreft. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college bij het besluit van 24 mei 2007 niet tot handhaving van de vrijstelling en bouwvergunning op het punt van de watertoets mocht besluiten. Onder die omstandigheden wordt het hoger beroep van PGGM, dat uitsluitend is gericht tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de watertoets, conform haar mededeling daartoe ter zitting, als ingetrokken beschouwd.

2.7. In het besluit van 24 mei 2007 heeft het college zich onder verwijzing naar onderzoeken van de Milieudienst van februari en april 2007 op het standpunt gesteld dat de vrijstelling en bouwvergunning in overeenstemming met het Blk 2005 zijn verleend.

Door het college is voorts een rapport van de Milieudienst van juli 2007 overgelegd, waarin de conclusies van de rapporten van februari en april 2007 worden bevestigd.

2.8. De Werkgroep betoogt dat het college zich niet onder verwijzing naar de luchtkwaliteitsonderzoeken van de Milieudienst Zuidoost-Utrecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat wordt voldaan aan de normen voor luchtkwaliteit als bedoeld in het Blk 2005. Daartoe voert hij aan dat het bij de onderzoeken gebruikte programma Geostacks geen door de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) goedgekeurde methode is en derhalve niet mocht worden gebruikt. Voorts voert hij aan dat bij het onderzoek van onjuiste gegevens betreffende de verkeersbewegingen en te lage waarden van de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen in de nabije toekomst is uitgegaan.

2.9. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) in acht.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van het Blk 2005, kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien:

a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;

b. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.

Ingevolge artikel 3 van het Meet- en rekenvoorschrift bevoegdheden luchtkwaliteit zoals dat gold ten tijde van het nemen van het besluit van 24 mei 2007 (hierna: het meet- en rekenvoorschrift), voor zover thans van belang, worden vóór 15 maart van ieder kalenderjaar de volgende gegevens bekendgemaakt:

b. een overzicht van de prognoses van de grootschalige concentratiegegevens van zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide, ozon en benzeen van het tiende kalenderjaar volgend op het voorafgaande kalenderjaar en de jaren 2010 en 2020;

d. een overzicht van de prognoses van de emissiefactoren van zwaveldioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen van het tiende kalenderjaar volgend op het voorafgaande kalenderjaar en de jaren 2010 en 2020.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, maken bestuursorganen bij het door middel van berekeningen bepalen van de gevolgen voor de luchtkwaliteit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, gebruik van de gegevens, bedoeld in artikel 3.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, vindt het bepalen, door middel van berekeningen, van de gevolgen voor de luchtkwaliteit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, bij een weg plaats volgens de in bijlage IA beschreven standaardrekenmethode 1, dan wel volgens de in bijlage IB beschreven standaardrekenmethode 2, al naar gelang en voor zover de desbetreffende situatie valt binnen het toepassingsgebied van de ene dan wel de andere methode.

Ingevolge het tweede lid, kan in situaties voor zover die binnen het toepassingsgebied vallen van de standaardrekenmethode 1 of 2, genoemd in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk worden afgeweken van die standaardrekenmethoden, mits een andere methode waarmee wordt afgeweken passend is en gelijkwaardig aan die standaardrekenmethoden.

Ingevolge het derde lid wordt in situaties voor zover die buiten het toepassingsgebied vallen van de standaardrekenmethode 1 of 2, genoemd in het eerste lid, een andere, passende methode toegepast.

Ingevolge artikel 10, kunnen bestuursorganen van een andere methode als bedoeld in artikel 9, tweede of derde lid, gebruik maken indien die methode is goedgekeurd door de minister.

2.9.1. Bij de luchtkwaliteitsonderzoeken is uitgegaan van de verkeersintensiteiten zoals neergelegd in het rapport "Aanpassing infrastructuur omgeving PGGM" van 10 september 2003. Hetgeen de Werkgroep naar voren heeft gebracht, leidt niet tot het oordeel dat niet van de verkeersintensiteiten als bedoeld in dit rapport mocht worden uitgegaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat op grond van het huidige vervoersmanagement en de in het door Goudappel Coffeng opgestelde Bedrijfsvervoerplan van 6 januari 2003 neergelegde opties voor verdere stimulering van fiets- en openbaar vervoer, geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat bij het onderzoek dat heeft geleid tot voormeld rapport van een te gering aantal motorvoertuigbewegingen is uitgegaan.

Voorts geeft hetgeen de Werkgroep heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat bij de onderzoeken die hebben geleid tot de luchtkwaliteitsrapporten van de Milieudienst geen gebruik had mogen worden gemaakt van de jaarlijks door het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bekend gemaakte achtergrondconcentraties (GCN-waarden).

2.9.2. Zoals uit de stukken is gebleken en door het college ter zitting is toegelicht, is het programma Geostacks, dat is ontwikkeld door DGMR, gebaseerd op de rekenmethode Stacks+. Op 21 februari 2007 is door de minister de rekenmethode Stacks+ versie 2006.4 van KEMA goedgekeurd. In het Meet- en rekenvoorschrift is geen afzonderlijk goedkeuringsvereiste voor rekenprogramma's opgenomen. Het programma Geostacks, waarin de goedgekeurde rekenmethode Stacks+ versie 2006.4 van KEMA is opgenomen, kan dan ook worden geacht te voldoen aan het bepaalde in het Meet- en rekenvoorschrift.

2.9.3. Gebleken is evenwel dat bij het onderzoek dat heeft geleid tot het rapport van de Milieudienst van februari en april 2007 gebruik is gemaakt van het programma Geostacks met een versie van de rekenmethode Stacks+ die niet door de minister was goedgekeurd. Het college had zijn oordeel dat wordt voldaan aan de normen voor luchtkwaliteit als bedoeld in het Blk 2005 in het besluit van 24 mei 2007 dan ook niet op deze rapporten mogen baseren. In het rapport van juli 2007, dat is gebaseerd op een onderzoek waarin gebruik is gemaakt van het programma Geostacks met een goedgekeurde versie van de rekenmethode Stacks+, wordt evenwel tot dezelfde conclusies gekomen als in het rapport van februari 2007. Om die reden zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 24 mei 2007 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen, doch wordt aanleiding gezien om de rechtsgevolgen daarvan in stand laten. Daartoe neemt de Afdeling in aanmerking dat gelet op het vorenstaande geen grond bestaat voor het oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) zoals neergelegd in het Blk 2005. Op 15 november 2007 is in werking getreden de wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) (Stb. 2007, 434), die het Blk 2005 vervangt. De Afdeling stelt vast dat deze wet onmiddellijke werking heeft. Nu in deze wet dezelfde grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) als in het Blk 2005 worden gesteld, kan het bouwplan gelet op het vorenstaande evenmin in strijd met de thans van toepassing zijnde luchtkwaliteitseisen in de Wet milieubeheer worden geacht.

2.10. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zeist van 24 mei 2007 met kenmerk 07UIT03952 gegrond;

III. vernietigt dat besluit;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

De voorzitter      w.g. Wijers

is verhinderd de uitspraak  ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008

444