Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0779

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
200706517/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Mook en Middelaar (hierna: het college) geweigerd om een reguliere bouwvergunning eerste fase aan [appellant] te verlenen voor het bouwen van een appartementencomplex op het perceel [locatie] te Mook en Middelaar (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/3987

Uitspraak

200706517/1.

Datum uitspraak: 29 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/423 van de rechtbank Roermond van 16 augustus 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Mook en Middelaar.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Mook en Middelaar (hierna: het college) geweigerd om een reguliere bouwvergunning eerste fase aan [appellant] te verlenen voor het bouwen van een appartementencomplex op het perceel [locatie] te Mook en Middelaar (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 maart 2007 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 augustus 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 oktober 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.J.B.M. Alkemade, advocaat te Nijmegen, en J.A.A.M. Rooijakkers, deskundige, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.H.M. Scheffer en H. Gerrits, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een wooncomplex bestaande uit twintig appartementen. Het college heeft bouwvergunning geweigerd, omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en redelijke eisen van welstand.

Het college heeft aan zijn besluit van 1 juni 2006 het welstandsadvies van het Gelders Genootschap van 17 mei 2006 ten grondslag gelegd. Vervolgens heeft het college in het kader van de heroverweging in bezwaar over de welstandsaspecten van het bouwplan een 'second opinion' gevraagd aan Welstandstoezicht Noord Limburg (hierna: welstandstoezicht). Het college heeft in zijn besluit op bezwaar van 6 maart 2007 deze 'second opinion' gevolgd.

2.2. Het betoog van [appellant] dat niet is gebleken dat de Federatie Welstand, een samenwerkingsverband van provinciale en lokale welstandscommissies, van het college een verzoek om een 'second opinion' heeft ontvangen treft geen doel. Het college heeft ter zitting onweersproken uiteengezet dat de welstandsnota alleen vermeldt dat het college de Federatie Welstand op de hoogte moet stellen wanneer het een 'second opinion' vraagt. Dat het college aan de beleidsregel uit de welstandsnota gevolg heeft gegeven blijkt uit het e-mailbericht van 23 januari 2004 van het college aan de Federatie Welstand. Daarbij komt dat het "Protocol Second Opinion in opdracht van een gemeentebestuur" (hierna: het protocol), dat als bijlage 2 is gevoegd bij de nota "Bezwaar en beroep bij welstandsadvisering" van de Federatie Welstand (hierna: de nota) het college niet bindt tot het doen van een melding.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de 'second opinion' van welstandstoezicht niet zorgvuldig tot stand is gekomen, zodat het college deze 'second opinion' niet aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag had mogen leggen. [appellant] voert daartoe allereerst aan dat hij door het college niet in de gelegenheid is gesteld om naar aanleiding van de 'second opinion' een deskundig tegenadvies over te leggen.

Voorts voert hij aan dat de 'second opinion' niet tot stand is gekomen volgens het bij de nota opgenomen protocol. Welstandstoezicht had, naar [appellant] stelt, op grond van punt 7 in hoofdstuk 2 van de nota, de locatie moeten bezoeken, aangezien welstandstoezicht niet beschikte over foto's van de omgeving, terwijl het wel adviseerde dat het bouwplan onvoldoende rekening houdt met de omgeving.

[appellant] betoogt verder dat de toets van welstandstoezicht zich uitsluitend heeft gericht op de te grote massa van het bouwplan terwijl, volgens hem, het bestemmingsplan die massa toestaat, waardoor de 'second opinion' zich, evenals de adviezen van het Gelders Genootschap, niet richt naar de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.

2.3.1. De rechtbank heeft de adviezen van het Gelders Genootschap terecht onbesproken gelaten en is alleen uitgegaan van de 'second opinion' van welstandstoezicht, aangezien het college alleen die 'second opinion' aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd.

Het college mag, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan een advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derdebelanghebbende een rapport overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

Er bestaat geen wettelijke verplichting voor het college op grond waarvan [appellant] expliciet in de gelegenheid had moeten worden gesteld om een tegenadvies over te leggen. Hij had, uit eigen beweging, een tegenadvies ook nog in beroep kunnen overleggen, nu hij zich in bezwaar reeds had beklaagd over de welstandsadvisering.

Uit de 'second opinion' blijkt dat welstandstoezicht fotomateriaal in zijn advisering heeft betrokken. Uit een brief van het college van 17 januari 2007 aan welstandstoezicht blijkt dat daarbij fotomateriaal van de omgeving is gevoegd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat welstandstoezicht op grond van dat fotomateriaal en de in de openbare vergadering van 25 januari 2007 verkregen informatie een goed beeld van de situatie ter plaatse had en een bezoek aan het perceel niet noodzakelijk was. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat een dergelijk bezoek in het protocol niet is opgenomen, daargelaten dat het protocol het college niet bindt.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat welstandstoezicht zich in de 'second opinion' heeft gericht naar de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. In de door [appellant] aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 19 april 2006 in zaak nr. 200505026/1 was daarvan geen sprake. Welstandstoezicht heeft de bouwmassa, anders dan [appellant] stelt, niet op zichzelf bezien, maar in verband gebracht met de vormgeving en uitvoering van het bouwplan. De vormgeving en uitvoering maken het bouwplan te massaal. Verder heeft welstandstoezicht geconcludeerd dat het bouwplan, onder meer door het geforceerde asymmetrische lessenaarsdak, onvoldoende rekening houdt met de omgeving.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de 'second opinion' zorgvuldig tot stand is gekomen en dat het college zich in redelijkheid op grond daarvan op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen gelegenheid heeft geboden om het bouwplan aan te passen aan het bestemmingsplan en de 'second opinion' van welstandstoezicht.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 13 april 1995, in zaak nr. H01.94.0076 (BR 1995, p. 669), is een bestuursorgaan gerechtigd, en in bepaalde gevallen zelfs verplicht, om de indiener van een bouwaanvraag in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag zodanig te wijzigen of aan te vullen dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van de bouwvergunning worden weggenomen. Indien de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag echter zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, dient daarvoor een nieuwe bouwaanvraag te worden gedaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de vereiste aanpassingen van het bouwplan niet zodanig beperkt zijn dat redelijkerwijs nog van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken. Het wegnemen van de in het welstandsadvies genoemde beletselen van de te grote bouwmassa, het asymmetrische lessenaarsdak en het zichtbaar optillen van het gebouw boven de parkeervoorziening, zouden immers ook volgens de architect van [appellant] blijkens zijn brief van 5 oktober 2007 leiden tot aanpassingen die de architectuur en uitstraling van het gebouw fundamenteel veranderen. Daaraan doet niet af dat volgens de architect van [appellant] de aanpassingen binnen korte tijd zouden kunnen worden gerealiseerd. Voor zover [appellant] nog heeft aangevoerd dat de aanpassing alleen het wijzigen van gevelopeningen betreft, betekent dat evenmin dat het een beperkte wijziging betreft.

Het betoog faalt.

2.5. Nu de bouwvergunning terecht is geweigerd wegens strijd met redelijke eisen van welstand wordt aan de overige beroepsgronden niet meer toegekomen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Heusden

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008

163-560.