Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0777

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
200706224/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2006 heeft de algemeen directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de erkenning van [appellante] om periodieke keuringen van motorvoertuigen tot en met 3500 kg uit te voeren in de keuringsplaats met nummer BL07B01 voorwaardelijk ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200706224/1.

Datum uitspraak: 29 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2871 van de rechtbank Utrecht van 18 juli 2007 in het geding tussen:

appellante

en

de algemeen directeur van de Dienst Wegverkeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2006 heeft de algemeen directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de erkenning van [appellante] om periodieke keuringen van motorvoertuigen tot en met 3500 kg uit te voeren in de keuringsplaats met nummer BL07B01 voorwaardelijk ingetrokken.

Bij besluit van 20 juni 2006 heeft de RDW het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 6 maart 2006, onder aanvulling van de motivering ervan, gehandhaafd.

Bij uitspraak van 18 juli 2007, verzonden op 19 juli 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de RDW binnen zes weken opnieuw op het door [appellante] gemaakte bezwaar besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 28 september 2007.

De RDW heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. X. Visscher, advocaat te Purmerend, en de RDW, vertegenwoordigd door drs. J. Greidanus, werkzaam bij de RDW, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 87, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), zoals dit luidde ten tijde en voor zover thans van belang, kan de Dienst Wegverkeer een erkenning intrekken, indien degene, aan wie de erkenning is verleend, in strijd met een of meer uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen handelt.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder h, van de Erkenningsregeling APK (hierna: de Regeling), voor zover thans van belang, is in de keuringsruimte een rollenremtestbank aanwezig die aan de in artikel 7 gestelde eisen voldoet.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, voor zover thans van belang, beschikt de aanvrager van een erkenning, ten aanzien van rollenremtestbanken over een geldig certificaat van eerste keuring, dan wel een geldig certificaat van herkeuring.

Ingevolge artikel 8, voor zover thans van belang, is de apparatuur, bedoeld in artikel 5, deugdelijk en in goede staat van onderhoud.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, blijven de keuringsplaatsen voortdurend voldoen aan de eisen, gesteld in de artikelen 3 tot en met 8.

Ingevolge artikel 45, vijfde lid, aanhef en onder e, wordt aan een steekproef alle medewerking verleend en worden de ter zake door de Dienst Wegverkeer gegeven aanwijzingen in acht genomen. Onder alle medewerking wordt in ieder geval verstaan dat de desbetreffende ruimte en apparatuur gedurende de steekproef beschikbaar worden gesteld.

Ingevolge artikel 58, voor zover thans van belang, wordt terstond begonnen met een procedure voor intrekking van de erkenning indien door de erkenninghouder het in artikel 45, vijfde lid, opgenomen voorschrift niet wordt nageleefd.

Met betrekking tot onder meer het opleggen van sancties voert de RDW een beleid dat is neergelegd in het zogeheten Toezichtbeleid APK Erkenninghouders van 1 maart 2000, gewijzigd in december 2005 (hierna: de Toezichtbeleidsbrief). In Bijlage 1 bij de Toezichtbeleidsbrief (hierna: Bijlage 1) wordt het niet verlenen van medewerking bij het toezicht door de RDW, vermeld als voorbeeld van een overtreding die aanleiding geeft tot het intrekken van de erkenning voor de duur van 12 weken.

2.2. De RDW heeft de aan [appellante] verleende erkenning voorwaardelijk ingetrokken, omdat zij niet alle medewerking heeft verleend aan een op 9 januari 2006 in haar keuringsplaats uitgevoerde steekproef, nu de controleur van de RDW deze steekproef niet heeft kunnen voltooien in verband met een defect aan de in de keuringsplaats aanwezige rollenremtestbank.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat in artikel 58 van de Regeling een met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) strijdige verplichting tot het intrekken van de erkenning is neergelegd, daarom niet verbindend is en geen grondslag voor het besluit op bezwaar kon bieden.

2.3.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat artikel 58 van de Regeling niet zonder meer tot intrekking van de erkenning verplicht. Uit de bepaling volgt dat het niet naleven van de desbetreffende verplichtingen in beginsel tot intrekking zal leiden. Zij is aldus niet in strijd met artikel 3:4 van de Awb.

2.4. Daarnaast klaagt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat de Toezichtbeleidsbrief niet is bekendgemaakt op de in artikel 3:42 van de Awb voorgeschreven wijze en derhalve niet in werking is getreden. Volgens haar heeft de rechtbank de vraag of bekendmaking op de voorgeschreven wijze is geschied ten onrechte in het midden gelaten, nu de RDW het opleggen en de hoogte van de sanctie in het besluit op bezwaar slechts heeft gemotiveerd door naar de Toezichtbeleidsbrief te verwijzen.

2.4.1. Dit betoog slaagt evenmin. Niet gemotiveerd betwist is dat de RDW de Toezichtbeleidsbrief aan alle bij haar geregistreerde erkenninghouders en keuringsplaatsen, waaronder [appellante] heeft toegezonden. Daarmee is deze op geschikte wijze bekendmaakt. Het betoog van [appellante] dat het beleid niet in werking is getreden, faalt derhalve.

2.5. Tot slot betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat een evenredige belangenafweging met zich brengt dat geen sanctie op zijn plaats is wanneer, zoals in dit geval, de overtreding niet verwijtbaar is en de ernst van de gedraging gering is. In dat verband stelt [appellante] dat het defect aan de rollenremtestbank een gevolg was van een defecte voeding van de met de testbank verbonden computer, onderhoud en controle van die voeding niet mogelijk zijn, de voeding niet eerder gebreken heeft vertoond en het defect zich heeft voorgedaan na drie gebruiksjaren, terwijl de levensduur van de voeding volgens de fabrikant ervan vijf jaar is. Bovendien is volgens [appellante] de verkeersveiligheid door het geconstateerde defect niet in gevaar gebracht, omdat het voertuig waarvan het gunstige resultaat van de voorafgaand aan de steekproef uitgevoerde APK-keuring met het niet voltooien van de steekproef was komen te vervallen, nadien in een nabijgelegen vestiging wederom is goedgekeurd. Nu het defect aan de apparatuur thans noch in de toekomst voorkomen kan worden, schiet de sanctie het doel van de regelgeving - het voorkomen van tekortkomingen bij het verrichten van keuringen - geheel voorbij en krijgt de sanctie daarmee alsnog een punitief karakter, aldus [appellante]. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellante] ten onrechte overwogen dat het in de Toezichtbeleidsbrief neergelegde beleid niet onredelijk is en dat de RDW ten hoogste een waarschuwing of een schorsing had kunnen opleggen, mede omdat de opgelegde voorwaardelijke intrekking grote gevolgen voor haar heeft.

2.5.1. Anders dan [appellante] betoogt, heeft de rechtbank terecht niet aangenomen dat de overtreding haar niet verweten kan worden. De RDW heeft gesteld dat de oorzaak van het defect en het moment waarop dit defect ontstond zich aan haar toezicht onttrekt. Zelfs indien het defect aan de testbank zich uitsluitend en toevallig voordeed op het moment van de steekproef, heeft [appellante] met de aanvaarding van de erkenning als keuringsinstantie de uitvoering van een publieke taak ter bevordering van het algemeen belang van de verkeersveiligheid en daarmee het risico aanvaard van verlies van keuringsbevoegdheid in verband met ook niet verwijtbare misslagen. Die aanvaarding brengt met zich dat [appellante] heeft in te staan voor op elk moment deugdelijk functionerende apparatuur. De RDW heeft derhalve geen rekening hoeven houden met de gestelde omstandigheid dat [appellante] er, gelet op de gemiddelde levensduur van het desbetreffende onderdeel, niet op hoefde te rekenen dat het defect zich zou voordoen en evenmin met het feit dat de auto in een nabijgelegen nevenvestiging alsnog kon worden goedgekeurd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de RDW bevoegd was een sanctie op te leggen.

2.5.2. De bijzondere omstandigheden van het geval kunnen van invloed zijn op de hoogte van de op te leggen sanctie. Voor zover [appellante] klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het de RDW vrijstond voor de hoogte van de opgelegde sanctie aan te sluiten bij de Toezichtbeleidsbrief, slaagt dit betoog niet. De Afdeling heeft eerder (onder meer in de door de rechtbank genoemde uitspraak van 2 november 2005 in zaak nr. 200409073/1), overwogen dat de hierin neergelegde beleidsregels niet onredelijk kunnen worden geacht. Ten aanzien van de hoogte van de sanctie heeft de rechtbank overwogen dat, nu de precieze inhoud en reikwijdte van de sanctie niet duidelijk zijn, niet kan worden beoordeeld of deze in redelijkheid als passend moet worden aangemerkt. Mede om deze reden heeft zij het besluit van 20 juni 2006 vernietigd, en de RDW aanwijzingen gegeven inzake de inhoud van het nieuw te nemen besluit. Nu dit in hoger beroep niet is bestreden, behoeft het betoog van [appellante] dat de voorwaardelijke intrekking in dit geval een te zware sanctie is, geen bespreking.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Haverkamp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008

306-546.