Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0771

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
200704972/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2005 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) geweigerd aan het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten aangaande de subsidie aan de stichting Stichting Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (hierna: het CAOP) te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 209

Uitspraak

200704972/1.

Datum uitspraak: 29 april 2008.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2474 van de rechtbank Utrecht van 5 juni 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2005 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) geweigerd aan het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten aangaande de subsidie aan de stichting Stichting Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (hierna: het CAOP) te voldoen.

Bij besluit van 10 mei 2006 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juni 2007, verzonden op 7 juni 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 augustus 2007 heeft [appellant] de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)

Bij brief van 7 augustus 2007 heeft het CAOP de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door A.J. van Zanten MSc., de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. J.W. Severijnen en mr. G.M.E. Japien, beiden ambtenaar in dienst van het ministerie, en het CAOP, vertegenwoordigd door drs. H. Slijkhuis, werkzaam bij het CAOP en mr. M.C. de Smidt, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) is deze wet van toepassing op de volgende bestuursorganen:

a. Onze Ministers;

b. de bestuursorganen van provincies, gemeenten, waterschappen en publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie;

c. bestuursorganen die onder de verantwoordelijkheid van de onder a en b genoemde organen werkzaam zijn;

d. andere bestuursorganen, voor zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt, in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

2.2. [appellant] heeft verzocht om openbaarmaking van een drietal documenten die verband houden met een hernieuwde financiële verhouding tussen de minister en het CAOP.

Op 16 januari 2006 is de Subsidieregeling Stichting CAOP gepubliceerd en zijn twee van de drie documenten waarom [appellant] had gevraagd, openbaar gemaakt. Het geschil ziet daardoor thans nog op zijn verzoek om openbaarmaking van het rapport van het accountantskantoor Ernst & Young Accountants van 3 december 2004 betreffende de doelmatigheid en doeltreffendheid van de subsidiëring aan het CAOP.

2.3. [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de enige relatie tussen het CAOP en de overheid erin bestaat dat aan het CAOP subsidie wordt verstrekt. Hij stelt zich in dit verband op het standpunt dat het CAOP als bestuursorgaan kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, omdat het CAOP ondanks de privatisering ervan onder de verantwoordelijkheid van de overheid is gebleven, nu de overeenkomsten tussen het CAOP en de overheid voorzien in de controle op de activiteiten en bestedingen van het CAOP. Verder stelt [appellant] dat het feit dat de minister in het bestuur van het CAOP deelneemt via de Bestuursraad en in die rol toezicht houdt, zijn betoog ondersteunt.

2.4. In haar uitspraak van 11 juli 2007 in zaak no. 200608102/1 ter zake van een eerder verzoek van [appellant] aan de minister van Defensie om openbaarmaking van enige documenten aangaande het CAOP, heeft de Afdeling geoordeeld dat het CAOP geen bestuursorgaan is en evenmin deel uitmaakt van de overheid. De Afdeling heeft daarbij voorts overwogen dat het CAOP moet worden aangemerkt als een derde, die bedrijfs- en fabricagegegevens vertrouwelijk aan de overheid kan meedelen en die in dat geval de bescherming toekomt die artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob beoogt te verlenen. De Afdeling ziet in het betoog van [appellant] geen aanleiding daar thans anders over te oordelen. Het betoog faalt derhalve.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat financiële gegevens in beginsel onder het bereik van het begrip bedrijfs- en fabricagegegevens vallen, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. Dit zou er immers op neerkomen, zo stelt [appellant], dat financiële gegevens in geen geval openbaar mogen worden gemaakt. Hij is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister op goede gronden heeft geweigerd het rapport van Ernst & Young Accountants aan hem te verstrekken. Volgens hem zou openheid van zaken gegeven moeten worden ten einde iedere verdenking van misbruik van overheidsmiddelen te voorkomen.

2.6. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dient artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd. Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake, indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Ook gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen, kunnen onder omstandigheden als bedrijfsgegevens worden aangemerkt.

De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de inhoud van het rapport van Ernst & Young Accountants.

Anders dan de rechtbank, is de Afdeling op grond van die kennisneming van oordeel dat het rapport van Ernst & Young Accountants slechts ten dele, namelijk voor zover het gegevens inzake de financiële bedrijfsvoering van het CAOP betreft, gegevens bevat die zijn aan te merken als bedrijfsgegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. Weliswaar zijn deze bedrijfsgegevens in het kader van bedoeld onderzoek van Ernst & Young Accountants vertrouwelijk aan de minister verstrekt en mocht het CAOP er vanuit gaan dat de gegevens ook als zodanig zouden worden behandeld, doch niet valt in te zien dat reeds om die reden het rapport als geheel vertrouwelijk dient te blijven. De mede op deze financiële gegevens gebaseerde weergave van bevindingen en adviezen van Ernst & Young Accountants kunnen, zoals de minister ter zitting van de Afdeling heeft erkend, niet als bedrijfsgegevens worden beschouwd en zijn evenmin zodanig met die financiële gegevens verweven dat om die reden openbaarmaking achterwege dient te blijven.

Voor het oordeel dat een gedeeltelijke openbaarmaking van het rapport leidt tot een onevenredige benadeling van het CAOP, bestaat, indien de gegevens inzake de financiële bedrijfsvoering van het CAOP aldus van die openbaarmaking worden uitgezonderd, evenmin grond.

2.7. De rechtbank heeft voorts overwogen dat ook het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de Wob zich verzet tegen het openbaar maken van het rapport van Ernst & Young Accountants. In dat verband heeft zij overwogen dat het rapport is opgesteld ten behoeve van intern beraad en dat de daarin vervatte conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de subsidierelatie tussen de minister en het CAOP moeten worden aangemerkt als persoonlijke beleidsopvattingen. De Afdeling stelt evenwel vast dat het rapport dient te worden gezien als het resultaat van een door het accountantskantoor zo objectief mogelijk verricht onderzoek van feitelijke aard. De in het rapport vervatte, op basis daarvan gedane aanbevelingen aan de minister kunnen niet worden aangemerkt als persoonlijke beleidsopvattingen, als bedoeld in voornoemd artikel, terwijl deze gegevens ook niet tot een of meer bepaalde personen zijn te herleiden.

2.8. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het rapport voor openbaarmaking vatbaar is, zij het dat verstrekking van die gegevens, die aangemerkt kunnen worden als bedrijfs- en fabricagegegevens, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, achterwege dient te blijven.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 10 mei 2006 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. De minister dient een nieuw besluit te nemen op het gemaakte bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

2.10. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 juni 2007 in zaak nr. 06/2474;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van 10 mei 2006, kenmerk 2006-0000124591;

V. gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 357,00 (zegge: driehonderdzevenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. J.E.M. Polak, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

176-384.