Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0767

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
200708460/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2007 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Charlois (hierna: het dagelijks bestuur) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het aan de [locatie] te Rotterdam, deelgemeente Charlois, oprichten en in werking hebben van een handel in partijgoederen, waar tevens vuurwerk wordt opgeslagen en verkocht. Dit besluit is op 25 oktober 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/447

Uitspraak

200708460/1.

Datum uitspraak: 29 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Charlois van Rotterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2007 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Charlois (hierna: het dagelijks bestuur) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het aan de [locatie] te Rotterdam, deelgemeente Charlois, oprichten en in werking hebben van een handel in partijgoederen, waar tevens vuurwerk wordt opgeslagen en verkocht. Dit besluit is op 25 oktober 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2007, beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. Th.H.W. Juta, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door E.A.M. Schouw, in dienst van de DCRM Milieudienst Rijnmond, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder] in persoon gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2. [appellant] betoogt, kort weergegeven, dat de in voorschrift 1.2.1 van de vergunning voorgeschreven wijze van bevoorrading van de inrichting met consumentenvuurwerk niet naleefbaar is, aangezien de bevoorrading slechts kan plaatsvinden via het voor publiek toegankelijk gedeelte van de inrichting.

2.2.1. Voorschrift 1.2.1 van de vergunning luidt: "De aanvoerroute ten behoeve van de bevoorrading van het consumentenvuurwerk mag niet lopen via het voor het publiek toegankelijke gedeelte van de inrichting".

2.2.2. Ter zitting heeft het dagelijks bestuur naar voren gebracht dat overeenkomstig de op grond van de algemene plaatselijke verordening van de gemeente Rotterdam verleende verkoopvergunning voorschrift 1.2.1 van de milieuvergunning ten doel heeft de bevoorrading van de inrichting met consumentenvuurwerk te laten plaatsvinden op een moment dat in de inrichting geen publiek aanwezig is. In tegenstelling tot hetgeen het dagelijks bestuur heeft beoogd, volgt dit niet uit voorschrift 1.2.1 van de vergunning. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

De beroepsgrond slaagt.

2.3. [appellant] betoogt dat voorschrift 2.1.2 van de vergunning onvoldoende bescherming biedt tegen het zich, al dan niet met geweld, toegang tot de inrichting verschaffen door onbevoegden. Daartoe had volgens hem een middelvoorschrift moeten worden gesteld. Bovendien is het voorschrift te vaag, aangezien onduidelijk is onder wiens toezicht onbevoegden in de inrichting aanwezig mogen zijn, aldus [appellant].

2.3.1. Voorschrift 2.1.2 van de vergunning luidt: "De inrichting mag niet toegankelijk zijn voor onbevoegden. Binnen de openingstijden mogen anderen dan het personeel van de inrichting uitsluitend onder toezicht in de inrichting aanwezig zijn".

2.3.2. Uit artikel 8.12a, eerste lid, eerste volzin, van de Wet milieubeheer volgt dat voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is, aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden, inhoudende een verplichting tot het treffen van technische maatregelen.

Voorschrift 2.1.2, eerste volzin, van de vergunning biedt voldoende duidelijkheid omtrent de verplichtingen die daaruit voor [vergunninghouder] voortvloeien, maar laat wel ruimte aan hem om te bezien op welke wijze hij invulling geeft aan dit voorschrift. Het dagelijks bestuur heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het in het belang van de bescherming van het milieu niet noodzakelijk is dat een middelvoorschrift wordt gesteld als bedoeld in artikel 8.12a van de Wet milieubeheer.

2.3.3. Ter zitting heeft het dagelijks bestuur zich bij nader inzien op het standpunt gesteld dat voorschrift 2.1.2, tweede volzin, van de vergunning verduidelijking en aanpassing behoeft in die zin dat binnen de openingstijden anderen dan het personeel van de inrichting uitsluitend onder toezicht van de vergunninghouder of een daartoe door hem gemachtigde in de inrichting aanwezig mogen zijn. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

De beroepsgrond slaagt in zoverre.

2.4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het de voorschriften 1.2.1 en 2.1.2, tweede volzin, van de vergunning betreft. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.5. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van 16 oktober 2007, kenmerk 20349441, voor zover het betreft de voorschriften 1.2.1 en 2.1.2, tweede volzin, van de vergunning;

III. bepaalt dat de volgende voorschriften aan het besluit van 16 oktober 2007 worden verbonden:

- voorschrift 1.2.1 van de vergunning komt te luiden:

"De bevoorrading van de inrichting met consumentenvuurwerk mag slechts plaatsvinden, indien in de inrichting geen publiek aanwezig is."

- voorschrift 2.1.2, tweede volzin, van de vergunning komt te luiden:

"Binnen de openingstijden mogen anderen dan het personeel van de inrichting uitsluitend onder toezicht van de vergunninghouder of een daartoe door hem gemachtigde in de inrichting aanwezig zijn.";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 16 oktober 2007 voor zover dit is vernietigd;

V. veroordeelt het dagelijks bestuur van Charlois tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Rotterdam aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Rotterdam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008

375-209.