Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0766

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
200707380/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Someren (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats] gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd. Dit besluit is op 13 september 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden 1
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/579

Uitspraak

200707380/1.

Datum uitspraak: 29 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Someren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Someren (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats] gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd. Dit besluit is op 13 september 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 april 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. M. Mel, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door ir. H. Verhoeven, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2. Het college stelt dat [appellant] de gronden over de categorie-indeling van de in de nabijheid van de inrichting gelegen woningen en de Richtlijn 92/43/EEG (hierna: de Habitatrichtlijn) niet als bedenkingen tegen het ontwerpbesluit heeft ingebracht, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

2.2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

2.2.2. Anders dan het college heeft gesteld vindt de grond inzake de categorie-indeling wel zijn grondslag in de bedenkingen, waarin immers is aangevoerd dat de woning op nummer 15 in een onjuiste categorie was ingedeeld.

De grond over de Habitatrichtlijn is niet als bedenking tegen het ontwerpbesluit ingebracht. De Afdeling is echter van oordeel dat dit niet in de weg staat aan beoordeling daarvan, nu het hier gaat om mogelijk rechtstreeks werkende bepalingen van Europees recht waarvan de handhaving door de nationale rechter moet worden verzekerd en de afwijzing van die beoordeling ertoe zou kunnen leiden dat het gemeenschapsrechtelijke effectiviteitsbeginsel wordt geschonden. Het beroep van [appellant] is dan ook geheel ontvankelijk.

2.3. [appellant] betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met de Habitatrichtlijn. Hij voert aan dat er significante negatieve gevolgen voor het nabijgelegen habitatgebied "Weerterbos" zijn te verwachten, nu de ammoniakdepositie daar als gevolg van het bestreden besluit toeneemt.

2.3.1. Het college heeft in het bestreden besluit een berekening gemaakt van de depositie op het habitatgebied "Weerterbos" als gevolg van de onderliggende vergunning en als gevolg van de bij het bestreden besluit verleende vergunning. Uit deze berekening volgt dat de depositie op het habitatgebied "Weerterbos" ten opzichte van de onderliggende vergunning niet toeneemt. Gesteld noch gebleken is dat deze berekening onjuist is. Er zijn van de bij het bestreden besluit verleende vergunning dan ook geen significante negatieve gevolgen voor het "Weerterbos" te verwachten, zodat het college zich reeds daarom terecht op het standpunt heeft gesteld dat de Habitatrichtlijn niet aan verlening van de bij het bestreden besluit verleende revisievergunning in de weg staat. De grond faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat de woning aan de Molenbrugweg 15 ten onrechte als categorie IV-object, als bedoeld in de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie), in plaats van als categorie III-object is aangemerkt. Hij betoogt dat nu de woning als categorie III-object moet worden aangemerkt niet aan de minimaal vereiste afstand kan worden voldaan, zodat de vergunning in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Wet stankemissie is verleend.

2.4.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet stankemissie wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd, indien de afstand van de veehouderij tot een voor stank gevoelig object, behorend tot een van de categorieën I tot en met IV, dat niet tot de veehouderij behoort, minder bedraagt dan het aantal meters dat volgt uit de in de bijlage opgenomen berekeningsmethode.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet stankemissie wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder voor stank gevoelig object categorie III: verspreid liggende niet-agrarische bebouwing die aan het betreffende buitengebied een overwegende woon- of recreatiefunctie verleent.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, sub 2, van de Wet stankemissie wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, verstaan onder voor stank gevoelig object categorie IV: verspreid liggende niet-agrarische bebouwing.

2.4.2. De inrichting is gelegen in het buitengebied van de gemeente Someren. In de directe omgeving van de inrichting zijn drie agrarische inrichtingen en verder enkele verspreid liggende burgerwoningen - waaronder de woning aan de Molenbrugweg 15 - gelegen. Deze verspreid liggende burgerwoningen verlenen gezien de aard van de bebouwing in de directe nabijheid van de inrichting geen overwegende woon- of recreatiefunctie aan het buitengebied, zodat het college de woning op nummer 15 terecht als categorie IV-object heeft aangemerkt. Nu aan de op grond de Wet stankemissie vereiste afstand tot een voor stank gevoelig categorie IV-object wordt voldaan, bestond er voor het college in dit opzicht geen grond om de vergunning te weigeren. De grond faalt.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008

262-517.